Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam, 15 februari 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:2121 · Rechtbank Amsterdam · 15 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2019-2121
Zaakgegevens
Op 15 februari 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 februari 2019
- Datum publicatie
- 22 maart 2019
- Zaaknummer
- 13/706033-15 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:2121
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/706033-15 (ontneming)
Datum uitspraak: 15 februari 2019
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/706033-15, tegen:
[veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboorteland] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2019 (inhoudelijke behandeling) en 15 februari 2019 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat de raadsman van veroordeelde, mr. C. Crince le Roy, naar voren heeft gebracht.
2 De vordering
De vordering van de officier van justitie van 11 december 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van
€ 30.921,33.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft feit 1 waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3 Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2019 onder meer ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld.
Feit 1:
witwassen, meermalen gepleegd.
4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting uitgelaten over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voordeel is berekend op grond van het proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel van 12 maart 2015. Vanaf de rekening van [naam B.V.] is – na verrekening – € 21.021,33 overgemaakt naar veroordeelde. Daarnaast heeft veroordeelde verklaard dat hij € 2.000,- per maand verdiende en dat contant ontving. Gelet op de pleegperiode wordt aangenomen dat hij vijfmaal een contant bedrag van € 2.000,- heeft ontvangen. Van het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de kosten die veroordeelde heeft moeten maken, geschat op € 100,-, afgetrokken. Hierdoor komt het uiteindelijke voordeel op een bedrag van € 30.921,33.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening gehouden moet worden met de verklaring van veroordeelde dat hij een aantal keer contant € 2.000,- heeft ontvangen. Deze verklaring is onvoldoende concreet om te kunnen gebruiken bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman verzoekt bij de bepaling van de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van het geldbedrag dat door [naam B.V.] . naar veroordeelde is overgemaakt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken van het strafdossier en het proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebleken dat veroordeelde – na verrekening – in totaal € 21.021,33 heeft ontvangen van [naam B.V.] . Veroordeelde heeft op 19 februari 2015 verklaard dat hij € 2.000,- per maand heeft verdiend voor het oprichten van [naam B.V.] . De rechtbank acht deze verklaring voldoende concreet om te gebruiken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondersteunend voor zijn verklaring is immers dat veroordeelde aangeeft dat hij de vergoeding van € 2.000 zowel contant als giraal ontving. Het girale deel is – zoals reeds overwogen – inderdaad naar zijn rekening overgemaakt. [naam B.V.] . is opgericht in januari 2012 en de rechtbank sluit zich wat betreft de contant ontvangen geldbedragen en de door veroordeelde gemaakte kosten aan bij de berekening van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee worden die delen bepaalt op respectievelijk € 10.000,- en € 100,-.
Ontvangen van [naam B.V.] . : € 21.021,33
Contant ontvangen : € 10.000,00
Kosten : - € 100,00
Totaal : € 30.921,33
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 30.921,33.
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5 De verplichting tot betaling
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank bij het bepalen van het terug te betalen bedrag rekening te houden met de draagkracht van veroordeelde. Hij wijst hierbij op de slechte financiële positie van veroordeelde. Hij moet rondkomen van uitkering, woont bij zijn moeder, heeft mentale klachten en zit in de schuldsanering. De raadsman verzoekt het ontnemingsbedrag te matigen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie is van mening dat pas in de executiefase rekening de draagkracht van de veroordeelde ter sprake komt. Er bestaat altijd nog een kans dat de financiële positie van veroordeelde verandert in positieve zin.
Het oordeel van de rechtbank
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een beroep op draagkracht in beginsel in de executiefase aan de orde te komen. Op grond van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierbij dient de rechter te beoordelen of duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft of zal hebben. Het is de rechtbank niet gebleken dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om gebruik te maken van haar matigingsbevoegdheid.
De rechtbank merkt – ten overvloede – op dat in de hoofdzaak een groot aantal vorderingen van benadeelde partijen is toegewezen. Het vonnis van de hoofdzaak is nog niet onherroepelijk en de rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om bij het vaststellen van de betalingsverplichting toegekende vorderingen van benadeelde partijen in mindering te brengen. Op het moment dat het vonnis onherroepelijk wordt kan veroordeelde zich op grond van de in artikel 577b, tweede lid Wetboek van Strafvordering genoemde procedure tot de strafrechter wenden met het verzoek het wederrechtelijk verkregen voordeel te wijzigen.
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 30.921,33.
6 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 30.921,33.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 30.921,33 (dertigduizend negenhonderdeenentwintig euro en drieëndertig eurocent) aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. N.J. Koene en A.C.J. Klaver, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2019.