Strafrecht overig
Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - artikel 12 OLW - Poolse rechtstaat - overlevering toegestaan.
Rechtbank Amsterdam, 25 oktober 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:7983 · Rechtbank Amsterdam · 25 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2023-7983
Zaakgegevens
Op 25 oktober 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 25 oktober 2023
- Datum publicatie
- 11 december 2023
- Zaaknummer
- 13/208259-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7983
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - artikel 12 OLW - Poolse rechtstaat - overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/208259-23
Datum uitspraak: 25 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 21 augustus 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juli 2022 door the Regional Court of Torun (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977
door de opgeëiste persoon opgegeven adres: [verblijfsadres]
gedetineerd in [detentieadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the Regional Court in Torun of 7?? April 2021, file reference number II K 112/20.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 4 maanden en 2 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4 De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De procedure in hoger beroep dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW.
De opgeëiste persoon is niet ter zitting in hoger beroep verschenen en ter zitting is een niet gemachtigde ex officio advocaat verschenen. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon op enige wijze op de hoogte is gesteld van de zitting in hoger beroep.
Er kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ter zitting door een gemachtigde advocaat is vertegenwoordigd. De rechtbank kan niet afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aangezien niet gezegd kan worden dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om ter zitting van de Poolse rechtbank aanwezig te zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich niet voor, omdat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon is zowel tijdens de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat.
Op verzoek van de opgeëiste persoon heeft de advocaat hoger beroep ingesteld en is vervolgens verschenen op de zitting in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft haar verdedigingsrechten dan ook voldoende kunnen uitoefenen.
Oordeel van de rechtbank
Uit het dossier volgt dat de ex-officio advocaat op verzoek van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg van the Regional Court in Torun van
7 april 2021. Hierna is op 9 september 2021 door the Appellate Court Gdansk arrest gewezen.
Als een strafprocedure meerdere instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW,
voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Nu de rechtbank uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie afleidt dat in hoger beroep de schuldvraag en de strafoplegging aan de orde zijn geweest, wordt uitsluitend de procedure in hoger beroep getoetst aan artikel 12 OLW.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon is verschenen bij het proces in eerste aanleg.
Uit de aanvullende informatie van 5 september 2023 blijkt dat de ex-officio advocaat op verzoek van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg van the Regional Court in Torun van 7 april 2021. Vervolgens is de opgeëiste persoon niet bij het proces in hoger beroep verschenen maar dezelfde ex officio advocaat als die in eerste aanleg de verdediging heeft gevoerd, is wel verschenen. Op 9 september 2021 is door the Appellate Court Gdansk arrest gewezen.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk of de ex officio advocaat van de opgeëiste persoon gemachtigd was om de opgeëiste persoon ter zitting in hoger beroep te vertegenwoordigen zodat de omstandigheid onder b van artikel 12 OLW zich niet voordoet. Ook doen de in artikel 12, onder a, c en d, OLW genoemde omstandigheden zich niet voor. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW kan weigeren.
De rechtbank ziet echter op grond van het navolgende aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Nu uit de aanvullende informatie van 5 september 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon zelf door haar ex officio advocaat hoger beroep heeft laten instellen en de omstandigheid dat de opgeëiste persoon volgens eigen verklaring kort voor de procedure in hoger beroep in augustus 2021 naar Nederland is vertrokken, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo zij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest door zich niet te informeren over het verloop van de op haar verzoek gestarte procedure in hoger beroep en onvoldoende contact heeft gehouden met haar advocaat.
De rechtbank verwerpt het verweer en zal de overlevering toe staan.
5 Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
en
mishandeling.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 285 en 300 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Torun (Polen)voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.