Strafrecht overig

Tussenuitspraak in executie-EAB uit Polen. Art 12 OLW: vragen gesteld over de adresinstructie.

Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
13-185118-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10500
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenuitspraak in executie-EAB uit Polen. Art 12 OLW: vragen gesteld over de adresinstructie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-185118-26

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering van 14 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door the Regional Court in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres],

gedetineerd in het [Penitentiaire Inrichting],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J.H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. D.S. Altena, die waarneemt voor mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Świnoujście van 15 maart 2021, met kenmerk II K 568/20. Dit vonnis is definitief en er is geen hoger beroep mogelijk tegen dit vonnis.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en twintig dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon betwist namelijk hetgeen in de toelichting onder 2 in onderdeel D van het EAB staat vermeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van deze weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft immers tijdens het vooronderzoek een adresinstructie gekregen en is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproeping voor de zitting is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en is niet afgehaald.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.

In het kader van de beoordeling van de vraag of de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon meebrengt, is het van belang of kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces. Ook kan de rechtbank in aanmerking nemen of de opgeëiste persoon met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor oproepingen zorgvuldig heeft gehandeld. De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Anders dan de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat uit het EAB niet blijkt dat de opgeëiste persoon is opgeroepen op een door hem opgegeven adres. Het EAB vermeldt weliswaar dat de opgeëiste persoon bij zijn verhoor als verdachte een adresinstructie heeft gekregen, maar niet staat vermeld dat de opgeëiste persoon bij dat verhoor een adres heeft opgegeven. Met betrekking tot de oproeping voor de zitting van 15 maart 2021 staat slechts vermeld deze is verzonden naar “the only known address”. Hieruit blijkt niet en kan ook niet worden afgeleid dat de oproeping is verstuurd naar een door de opgeëiste persoon in het kader van de strafvervolging opgegeven adres. De rechtbank beschikt daarom op dit moment over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen of de overlevering al dan niet een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.

De rechtbank ziet ruimte om hierover nadere vragen te stellen, omdat de beslistermijn nog niet is verstreken. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden, om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen nader toe te lichten of de opgeëiste persoon in het kader van de onderhavige strafprocedure een adres heeft opgegeven en, zo ja, of de oproep is gezonden aan dat adres.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7 Beslissing

De rechtbank

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 geformuleerde vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;

BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 10 november 2026;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.B.M. Wijnveldt, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Mulder en mr. E.A. Harland, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).