Strafrecht overig

Vervolgings-EAB Spanje; artikel 6 OLW: beroep op de terugkeergarantie; beroep op evenredigheid verworpen…

Rechtbank Amsterdam, 21 mei 2026

Zaakgegevens

Op 21 mei 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 mei 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Zaaknummer
13-124892-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:5909
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB Spanje; artikel 6 OLW: beroep op de terugkeergarantie; beroep op evenredigheid verworpen; overlevering toestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-124892-26

Datum uitspraak: 21 mei 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 12 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2026 door the Provincial Court in Malaga - Section 9, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht ter zitting te verschijnen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. P.J. Zandt, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen en direct mondeling uitspraak gedaan.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een beslissing van 16 april 2026 van the Provincial Court in Malaga - Section 9 tot uitvaardigen van een EAB. Uit de aanvullende informatie van 13 mei 2026 blijkt dat een nationaal aanhoudingsbevel van 21 oktober 2024 van the Provincial Court in Malaga - Section 9 de grondslag vormt voor het EAB.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Spaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;


opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;


handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.

Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.

Het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft op 6 mei 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vraag gesteld:

“ [opgeëiste persoon] is a Dutch national. As a consequence, pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA), and Article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender Act, the surrender may only be authorised if we receive the guarantee beforehand that, in case the wanted person is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Spain after his surrender, he will be allowed to carry out his punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ).”

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 7 mei 2026 de volgende garantie gegeven:

“I must rule and I hereby rule to accept the condition governing the surrender of the accused [opgeëiste persoon] , who shall be returned to the executing State in order to serve any sentence that may be imposed upon him.

(…)

Method of challenge: An application for review may be lodged against this ruling within a period of three days following final notification to the parties to the proceedings, by means of a document presented before this Court.”

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens op 21 mei 2026 per brief de volgende aanvullende informatie verstrekt:

“(…) this is to inform you that the order dated May 12, 2026, accepting the commitment to return the accused, [opgeëiste persoon] , has become final as of today.”

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde terugkeergarantie – in samenhang gelezen met de door het IRC gestelde vraag en de aanvullende informatie van 21 mei 2026 – voldoende. In de aanvullende informatie staat namelijk vermeld dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de verleende terugkeergarantie zodat deze definitief is geworden.

6 Evenredigheid

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden omdat aanvullende vragen gesteld moeten worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over, zo begrijpt de rechtbank, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft eerder een EAB uitgevaardigd waarna de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon heeft toegestaan. Dit EAB is op een later moment om onduidelijke redenen ingetrokken. Vervolgens is een nieuw EAB uitgevaardigd (voor dezelfde strafbare feiten) wat de facto een verzoek tot voorlopige terbeschikkingstelling (VTBS) betreft. Er moet daarom aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden gevraagd waarom er niet is gekozen voor een minder ingrijpende oplossing.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.

Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. Het is niet aan deze rechtbank om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB te toetsen. De Spaanse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet, 26 en 55 Wet Wapens en Munitie en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Provincial Court in Malaga - Section 9 voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier voorzitter,

mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.