Strafrecht overig
Beklag artikel 552a Sv gegrond; niet vaststellen of klager op de hoogte was van ongeldigverklaarde rijbewijs.
Rechtbank Amsterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8028 · Rechtbank Amsterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2026-8028
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 010174-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8028
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag artikel 552a Sv gegrond; niet vaststellen of klager op de hoogte was van ongeldigverklaarde rijbewijs.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 010174-26
datum : 2 juli 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboorte dag] 1987 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op kantoor van advocaat mr. C.C.J. Tuip,
Mr. Treublaan 7 (1097 DP) te Amsterdam,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv blijkt dat op 27 maart 2026 in het strafvorderlijk onderzoek tegen klager een personenauto van het merk Volkswagen Golf Gti (goednummer 6384254) in beslag is genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 7 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klager, de advocaat mr. C.C.J. Tuip, en de officier van justitie, mr. I.T. Hoekstra, op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een personenauto van het merk Volkswagen Golf Gti.
Door en namens de klager is aangevoerd dat hij er niet van op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Klager had zijn cursus bij het CBR betaald, maar door een storingsfout bij het CBR werd hij niet uitgenodigd voor de cursus. Klager heeft inmiddels de cursus voltooid en zijn rijbewijs is weer geldig. Daarbij heeft klager de auto nodig voor zijn werk en vertegenwoordigt de auto een grote waarde.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie in de strafzaak zal vorderen dat het voorwerp zal worden verbeurd verklaard. Uit de processen-verbaal volgt dat aan klager meerdere keren is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was en hij toch is blijven rijden.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en tijdig ingediend. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Het dossier bevat (nog) geen stuk van het CBR waaruit blijkt dat het rijbewijs van klager ongeldig is verklaard en dat dit aan klager is medegedeeld. De rechtbank kan daarom op dit moment dan ook niet vaststellen of klager ervan op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Uit het strafblad van klager blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en zijn rijbevoegdheid niet eerder is ontzegd.
Omdat de rechtbank op basis van het dossier zoals dat nu voorligt onvoldoende in staat is om een goede beoordeling te maken, kan niet worden geconcludeerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voertuig zal verbeurd verklaren. Om proces-economische redenen zal de rechtbank de zaak niet aanhouden maar oordelen dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de auto.
De rechtbank acht voorts voldoende aannemelijk geworden dat het inbeslaggenomen voorwerp aan klager toebehoorde. De rechtbank zal het beklag gegrond verklaren en teruggave aan de klager gelasten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan de klager een personenauto van het merk Volkswagen Golf Gti (goednummer 6384254).
Deze beslissing is gegeven door
mr. B.C. Langendoen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.