Civiel recht overig

Ter beoordeling staat of eiser (beeldend kunstenaar) 22 jaar geleden aan een vriend twee beelden heeft…

Rechtbank Breda, 24 maart 2005

Zaakgegevens

Op 24 maart 2005 heeft de Rechtbank Breda in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24 maart 2005
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
144090 /KG ZA 05-154
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840
E-mail

Samenvatting

Ter beoordeling staat of eiser (beeldend kunstenaar) 22 jaar geleden aan een vriend twee beelden heeft geschonken of dat sprake was van bruikleen.

Uitspraak

144090 /KG ZA 05-154 RECHTBANK BREDA

24 maart 2005 Sector Handelsrecht

Voorzieningenrechter

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Lagoa, Portugal,

e i s e r bij dagvaarding van 17 maart 2005,

procureur: mr. P.C.H. Jansen,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te Dongen,

g e d a a g d e ,

i n p e r s o o n v e r s c h e n e n .

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Jansen en de door eiser in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. M.C.J. Heinz, rechtshelper, die namens gedaagde mede het woord heeft gevoerd;

- de door gedaagde in het geding gebrachte producties.

2. Het geschil.

Eiser vordert gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om

binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de twee op de bij de dagvaarding overgelegde

productie 1 afgebeelde houtsculpturen in goede staat aan eiser af te geven zulks op straffe

van een dwangsom van € 2.500,-- per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebrek zal

blijven aan die verlichting te voldoen en met veroordeling van gedaagde in de kosten van

het geding.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de navolgende vaststaande feiten.

Eiser en gedaagde hebben elkaar als collega's in het onderwijs leren kennen en zijn

bevriend geraakt en gebleven tot het moment waarop het onderhavige geschil is gerezen.

Eiser is in 1983 geëmigreerd naar Portugal. Voor zijn vertrek naar Portugal heeft hij in

1983 een drietal door hem vervaardigde beelden bij gedaagde achtergelaten.

Omstreeks 1995 is een van die beelden, een betonnen beeld, door gedaagde op verzoek

van eiser in het bezit van eiser gesteld.

Op 6 maart 2005 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met gedaagde waarbij hij

gedaagde heeft gevraagd de twee andere beelden af te staan voor een in Portugal

georganiseerde overzichtstentoonstelling van de kunstwerken van eiser. Gedaagde heeft

in dit telefoongesprek ingestemd met afgifte.

Vervolgens heeft de echtgenote van gedaagde op 11 maart 2005 het navolgende bericht

per e-mail aan eiser verzonden:

Naar aanleiding van het telefoongesprek van afgelopen zondag stuur ik je dit bericht.

Kees vertelde wat jullie afgesproken hadden, maar ik vind dat niet zo'n goed idee. Deze

objecten staan op een prominente plaats in ons huis en ik vind dat ze daar moeten blijven

staan. Helaas, Willem maar jouw expositie zal daar niet minder om zijn. Je hebt de

laatste tijd toch niet stilgezeten !!

Eiser heeft vervolgens bij brief van zijn raadsman van 14 maart 2005 het standpunt

ingenomen eigenaar te zijn van de beelden, dat deze onder de titel van bruikleen of

bewaarneming aan gedaagde waren afgestaan en gedaagde gesommeerd de beelden terug

te geven.

3.2

Het spoedeisend belang van eiser acht de voorzieningenrechter gegeven door het belang

van eiser zijn gehele artistieke oeuvre aan het publiek te kunnen presenteren.

3.3

Eiser stelt dat hij de beelden in 1983 ten titel van bruikleen of ten titel van bewaargeving

bij gedaagde heeft achtergelaten. Grondslag van de vordering in het lichaam van de

dagvaarding is dit door eiser gestelde eigendomsrecht en de inmiddels geëindigde

overeenkomst van bruikleen dan wel bewaargeving.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft eiser als primaire grondslag

aangevoerd de op 5 maart 2005 tussen partijen overeengekomen bruikleenovereenkomst

waarin gedaagde zich heeft verplicht om de beelden voor de duur van de expositie in

Portugal af te staan aan eiser. Subsidiair beroept eiser zich op zijn eigendomsrecht,

stellende dat de beelden aan gedaagde in bruikleen dan wel bewaargeving zijn afgestaan.

3.4

Gedaagde verweert zich met de stelling dat eiser in 1983 het betonnen beeld in bruikleen

heeft gegeven maar de beide houten beelden aan hem heeft geschonken zodat deze zijn

eigendom zijn.

Gedaagde erkent toegezegd te hebben de beelden in bruikleen af te staan doch wenst

daaraan thans zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie tot een bedrag van

€ 2.500,00 te verbinden als voorwaarde voor het geval eiser de beelden na het einde van

de expositie niet zou retourneren.

3.5

Uit de antwoorden van gedaagde op de vragen van de voorzieningenrechter is gebleken

dat eiser -volgens gedaagden- in het telefoongesprek van 5 maart 2005 desgevraagd aan

gedaagde heeft bevestigd dat gedaagde zich eigenaar mag noemen van de beelden en dat

hij de beelden na afloop van de expositie zou teruggeven. Gedaagde heeft voorts

meegedeeld dat na afloop van dat telefoongesprek bij zijn echtgenote aarzelingen zijn

gerezen over de vraag of eiser ook woord zou houden. Die aarzelingen heeft gedaagde

vervolgens overgenomen, zo heeft hij verklaard, en dit was de reden voor het verzenden

van de hiervoor geciteerde e-mail. Gedaagde heeft niet kunnen verklaren waarop die

aarzelingen waren gebaseerd.

Voor de voorzieningenrechter is onbegrijpelijk dat eiser reeds op dat moment, gegeven de

hechte vriendschapsrelatie tussen partijen, dergelijke gedachten heeft ontwikkeld.

3.6

Op grond van het in art. 3:109 BW bepaalde wordt gedaagde geacht de beelden voor

zichzelf te houden. Om die reden zal het in een eventuele bodemprocedure aan eiser zijn

het door hem gestelde eigendomsrecht te bewijzen. Eiser zal daartoe dus dienen aan te

tonen dat hij de beelden in 1983 ten titel van bruikleen of bewaargeving heeft afgestaan.

Dit bewijs is thans nog niet voorhanden zodat de vordering op de subsidiaire grondslag

niet kan slagen.

3.7

Ofschoon, zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen, menselijkerwijs gesproken

onbegrijpelijk is dat gedaagde zonder enige aanleiding argwanend is geworden en om die

reden zijn aanvankelijke onvoorwaardelijke instemming met bruikleen voor de duur van

de expositie in Portugal, nadien afhankelijk heeft gesteld van het stellen van zekerheid,

dient thans vastgesteld te worden dat eiser zich inmiddels op het standpunt stelt eigenaar

te zijn gebleven van de beelden. Desgevraagd heeft de raadsman van eiser ter zitting ook

meegedeeld na revindicatoir beslag een vordering tot afgifte in te zullen stellen.

Een onvoorwaardelijke toezegging de beelden na de expositie opnieuw in bezit te stellen

van gedaagde heeft eiser (bij monde van zijn raadsman) niet gedaan.

Gegeven de huidige situatie, waarnaar de vordering beoordeeld dient te worden, is de

vrees van gedaagde dat de beelden na afloop van de expositie niet geretourneerd zullen

worden, hoewel aanvankelijk volstrekt ongegrond, thans niet langer denkbeeldig.

In deze omstandigheden kan van gedaagde niet langer gevergd worden de toezegging

gestand te doen zonder enige zekerheid.

Ofschoon de beelden volgens gedaagde een waarde vertegenwoordigen van € 2.500,--

acht de voorzieningenrechter zekerheid tot een bedrag van € 1.000,-- voldoende.

De slotsom van al het voorgaande is dat de vordering toewijsbaar is, echter met dien

verstande dat eiser een teruggaveplicht zal worden opgelegd en gedaagde eerst tot afgifte

gehouden is nadat eiser zekerheid heeft gesteld tot een bedrag van € 1.000,00, aldus zoals

hierna in de beslissing te vermelden.

4. De kosten.

Gedaagde zal in de kosten worden veroordeeld nu het ontstaan van de geschillen aan zijn

handelwijze is toe te rekenen.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter

veroordeelt gedaagde binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, nadat eiser zekerheid

heeft gesteld tot een bedrag van € 1.000,-- in de vorm van een bankgarantie, de twee op

de bij dagvaarding overgelegde productie 1 afgebeelde houtsculpturen in goede staat aan

eiser af te geven, onder gehoudenheid van eiser de beelden na afloop van de expositie,

doch uiterlijk op 1 oktober 2005, weer bij gedaagde af te leveren;

bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag dat hij in gebreke

blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen

maximaal € 10.000,-- kan worden verbeurd;

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van

de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1.145,60, waaronder begrepen een

bedrag van € 816,00 aan salaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, en bij

vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van donderdag 24

maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.