Ambtenarenrecht

beroep tegen afwijzing verhoging salarisnummer, defensie

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2020

Zaakgegevens

Op 8 juli 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
8 juli 2020
Datum publicatie
29 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4307
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:5868
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep tegen afwijzing verhoging salarisnummer, defensie

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 19/4307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Breet),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: kapitein mr. D.M.L.G. Lemmens).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het rekest van eiser van 5 september 2018 om verhoging van zijn salarisnummer afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen het achterwege laten van het onderzoek ter zitting.

Overwegingen

  1. Eiser, kapitein bij de Koninklijke Landmacht, is bij besluit van 14 mei 2009 aangesteld bij de krijgsmacht en aangewezen tot het volgen van de initiële opleiding tot Officier Infanterie (LM) bij het wapen der Luchtdoelartillerie. De aanstelling vond plaats in de stand van soldaat der 3e klasse, waarbij, gelet op zijn leeftijd van 23 jaar, het salarisnummer is vastgesteld op 4. Verweerder heeft het rekest afgewezen zowel voor zover daarin wordt verzocht om betreffende het salarisnummer terug te komen op het aanstellingsbesluit als vanaf de indieningsdatum van het rekest.

  2. Eiser heeft aangevoerd dat in 2005, 2006, 2013, 2014 en 2015 meerdere collega’s zijn aangesteld met een hoger salarisnummer. Eiser was ten tijde van zijn aanstelling in het bezit van een HBO-diploma, zodat conform de Nota toekenning salarisnummer bij aanstelling van 2003 (kenmerk POBA/03/26283) (hierna: de Nota) bij aanvang van zijn aanstelling het salarisnummer 11 toegekend had moeten worden. Volgens eiser is er sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
    3. Verweerder neemt in het bestreden besluit en in zijn reactie op gronden van het beroep in het verweerschrift, het standpunt in dat de Nota vermeldt dat salarisnummer 11 vanwege kennis kan worden toegekend indien de bestemming van de militair officier is én voor die bestemming een HBO- of WO-vooropleiding vereist is. Indien voor deze bestemming slechts een HAVO- of VWO-vooropleiding vereist is, zal aan het salarisnummer 4 geen extra salarisnummer worden toegekend. Eiser is aangesteld met bestemming Officier Infanterie. Voor deze bestemming was een VWO-vooropleiding een (minimale) vereiste, geen HBO- of WO-vooropleiding. Dat eiser in het bezit was van een HBO-diploma doet hier niets aan af. Eiser is destijds dan ook terecht vanwege zijn leeftijd van 23 jaar aangesteld in salarisnummer 4. Verweerder heeft voorts gemotiveerd dat de collega’s waarmee eiser zich vergelijkt zijn aangesteld met een andere bestemming en voorbestemd waren tot het volgen van de Korte Officiersopleiding. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake. Verder wijst verweerder er op dat het feit dat collega’s in 2005 en 2006 zijn aangesteld in salarisnummer 11 ten tijde van het aanstellingsbesluit van 2009 reeds bekend was en eiser dit argument naar voren had kunnen brengen als bezwaar tegen het aanstellingsbesluit. Dat eiser hiermee pas in de periode van zijn rekest van 5 september 2018 bekend werd, betekent niet dat dit feit nu als een nieuw feit kan worden aangemerkt.
    4. De rechtbank stelt vast dat eiser de door verweerder de in het bestreden besluit en verweerschrift genoemde feiten niet heeft betwist. In het licht van die feiten kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder geheel overeenkomstig de geldende regelgeving is, die is neergelegd in artikel 5 en 7 van het Inkomstenbesluit militairen en de Nota. Voorts heeft verweerder op goede gronden betoogt dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
    Verder heeft verweerder overeenkomstig de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AN9805) besloten dat door eiser aangevoerde feiten uit 2005 en 2006 afstuiten op het onherroepelijk geworden aanstellingsbesluit van

14 mei 2009.

5. Het beroep is ongegrond

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2020 door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.