Ambtenarenrecht
Uitspraak over toekenning van proceskostenvergoeding.
Rechtbank Den Haag, 11 maart 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:7786 · Rechtbank Den Haag · 11 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/ambtenarenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-7786
Zaakgegevens
Op 11 maart 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 maart 2025
- Datum publicatie
- 7 mei 2025
- Zaaknummer
- 24/7445
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7786
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitspraak over toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7445
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.E.P. van Zandbergen),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. P. Souren).
Beoordeling door de rechtbank
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van verweerder van 9 juli 2024. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder dit verzoek op 30 december 2024 heeft vervangen door een nieuw besluit en daarin volledig tegemoet is gekomen aan verzoeker.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij met dit verzoek instemt.
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding daarom als kennelijk gegrond toe en doet uitspraak zonder zitting. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.