Bestuursprocesrecht
Proceskostenveroordeling bij intrekking beroepen
Rechtbank Den Haag, 7 februari 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:9308 · Rechtbank Den Haag · 7 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2013-9308
Zaakgegevens
Op 7 februari 2013 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 7 februari 2013
- Datum publicatie
- 29 juli 2013
- Zaaknummer
- SGR 12/8032 en SGR 12/8343
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2013:9308
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling bij intrekking beroepen
Uitspraak
Rechtbank Den Haag
Team Bestuursrecht 2
zaaknummers: SGR 12/8032 en SGR 12/8343
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2013 ingevolge artikel 8:75a in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser,
(gemachtigde: M.J.M. Bergers),
en
het bestuur van Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, juncto artikel 8:75 van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die de indiener van het beroepschrift in verband met de behandeling daarvan redelijkerwijs heeft moeten maken, indien de indiener het beroep heeft ingetrokken omdat geheel of gedeeltelijk aan hem is tegemoetgekomen en hij bij intrekking om veroordeling in de kosten heeft verzocht.
Op grond van artikel 8:75a, tweede lid, in samenhang met artikel 8:73a, tweede en derde lid, van de Awb zijn, behoudens de gevallen waarin het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van de Awb van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb welk artikel is opgenomen in afdeling 8.2.4 kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting daarvan niet nodig is, omdat:
a zij kennelijk onbevoegd is;
b het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;
c het beroep kennelijk ongegrond is;
d het beroep kennelijk gegrond is.
Op 13 augustus 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing van verweerder op een tweetal verzoeken van 20 mei 2012. De rechtbank heeft het beroep vervolgens gesplitst in bovengenoemde zaaknummers.
Bij besluiten van 15 augustus 2012 en 29 oktober 2012 heeft verweerder alsnog een beslissing op de verzoeken genomen.
Hierop heeft eiser de beroepen ingetrokken. Daarbij heeft hij verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Bij brieven van 4 december 2012 is verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken op dit verzoek te reageren.
Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank acht termen aanwezig het verzoek om een proceskostenveroordeling in de bewoordingen van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kennelijk gegrond te achten. Het onderzoek wordt derhalve gesloten en er bestaat aanleiding het verzoek in te willigen.
Bij de vaststelling van de hoogte van het aan eiser te vergoeden bedrag heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het hier gaat om een zaken van licht gewicht (wegingsfactor 0,25), een door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener ingediend beroepschrift (1 punt) en een waarde per punt van € 472. De te vergoeden kosten van rechtsbijstand bedragen derhalve € 118.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 156 ingevolge artikel 8:41, vierde lid, van de Awb door verweerder aan eiser moet worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 118, welke kosten verweerder aan eiser dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
F.J. Leegstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.