Bestuursprocesrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit tot intrekking van de toestemming op grond waarvan…

Rechtbank Rotterdam, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 26/7302
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14366
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit tot intrekking van de toestemming op grond waarvan verzoekster beveiligingswerkzaamheden kan verrichten. Niet is gebleken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/7302


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J.G. Roethof),

en

de korpschef van politie, de korpschef

(gemachtigde: mr. A.H. de Wit).

Procesverloop

1. De korpschef heeft met het primaire besluit van 21 april 2026 de toestemmingen ingetrokken op grond waarvan verzoekster beveiligingswerkzaamheden kan verrichten.

Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft de korpschef het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

Omdat het verzoek als kennelijk ongegrond wordt afgewezen, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.

3. Verzoekster heeft in het verzoekschrift aangevoerd dat zij door het bestreden besluit direct in financiële nood verkeert en hierdoor niet alle rekeningen kan voldoen. Verzoekster heeft, na daarom verzocht, als bijlage daarbij twee schermafdrukken van het saldo van een bankrekening ingediend.

4. De griffier van de rechtbank heeft op 11 september 2026 aan verzoekster gevraagd om de gestelde financiële noodsituatie nader te onderbouwen. Aan verzoekster is gevraagd daarbij een nadere toelichting te geven. Daarbij is verzocht een financieel overzicht van de totale inkomsten en uitgaven en eventuele schulden van het huishouden van verzoekster waaruit haar concrete financiële situatie kan worden afgeleid.

Daarnaast is aan verzoekster verzocht toe te lichten hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien sinds de intrekking van de toestemmingen (met het primaire besluit van 21 april 2026).

5. Verzoekster heeft op 23 september 2026 een reactie ingediend. Zij heeft daarbij volstaan met twee schermafdrukken van het saldo van een bankrekening. Zij heeft echter geen antwoord gegeven op de door de griffier gestelde vragen.

6. Als er geen acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat alleen daarom al geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Op basis van de door verzoekster ingediende stukken blijkt niet van een acute financiële nood en verzoekster heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek zal als kennelijk ongegrond worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ROT 26/7301 Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.