Bestuursprocesrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Den Haag, 22 november 2023

Zaakgegevens

Op 22 november 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 november 2023
Datum publicatie
11 december 2023
Zaaknummer
21/5121
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:19428
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

pkv

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/5121

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2023 in de zaak tussen


[eiseres] , in haar hoedanigheid van curator over [naam] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. de Vink),

en

CZ zorgkantoor, verweerder

(gemachtigde: J. Buur).

Procesverloop

In het besluit van 7 december 2020 (toekenningsbeschikking 2021; primair besluit) heeft verweerder aan eiseres voor het budgetjaar 2021 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) toegekend van € 62.561,-.

In het besluit van 23 juni 2021 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In het besluit van 21 september 2021 (gewijzigde toekenningsbeschikking 2021; bestreden besluit II) heeft verweerder aan eiseres voor het budgetjaar 2021 een pgb toegekend van

€ 77.880,-.

Eiseres heeft haar beroep vervolgens ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft te kennen gegeven bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

2. Met het besluit van 21 september 2021 is verweerder aan eiseres tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb door alsnog voor het budgetjaar 2021 een pgb toe te kennen van € 77.880,-. De omstandigheid dat verweerder, zoals hij stelt, om praktische en welwillende redenen het nieuwe besluit heeft genomen, is naar het oordeel van de rechtbank niet dermate bijzonder dat van het opleggen van een proceskostenveroordeling zou moeten worden afgezien. Daarbij is van belang dat de noodzaak om beroep in te stellen niet uitsluitend te wijten is aan de handelwijze van eiseres zelf.

3.
Het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep wordt dan ook toegewezen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt de door een derde beroepsmatig verleende bijstand voor vergoeding in aanmerking. In dit geval worden de kosten die daarvoor door eiseres zijn gemaakt vastgesteld op € 837,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift met een wegingsfactor 1).

4. De rechtbank wijst erop dat het in deze zaak betaalde griffierecht van € 49,- op de voet van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb tevens door verweerder aan eiseres moet worden vergoed.


Beslissing

De rechtbank:

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van

mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2023.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.