Bestuursrecht overig
Dublin Griekenland; verweerder stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij in Griekenland de…
Rechtbank Den Haag, 8 december 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:13784 · Rechtbank Den Haag · 8 december 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening-bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2020-13784
Zaakgegevens
Op 8 december 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening en de bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 december 2020
- Datum publicatie
- 7 januari 2021
- Zaaknummer
- NL20.19952 en NL20.19953
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaakVoorlopige voorziening en bodemzaak (kortsluiting)De voorzieningenrechter beslist niet alleen over een tijdelijke maatregel, maar meteen ook definitief over de zaak zelf.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13784
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Griekenland; verweerder stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status zelf effectueert. Uit het persoonlijk relaas van eiser is niet gebleken dat hij hiertoe (voldoende) inspanningen heeft verricht. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM en dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.19952 en NL20.19953
[V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , eiser/verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C. Ossenbruggen-Theodoulou).
Procesverloop
Met het besluit van 17 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk Arabisch, A. Alrami via een telefonische verbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Uit informatie uit Eurodac is gebleken dat eiser sinds 20 december 2017 een verblijfsvergunning in Griekenland heeft.
2. Gelet hierop vindt verweerder het redelijk dat eiser naar Griekenland terugkeert. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft zich kort gezegd op het standpunt geteld dat hij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat betekent dat Griekenland, als lidstaat van de Europese Unie, in beginsel niet handelt in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder hier niet langer van uit mag gaan.
3. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser voert aan dat hij in Griekenland niet als onderdaan wordt behandeld. Hij kan geen aanspraak maken op huisvesting, medische zorg en arbeid. Ook ontvangt hij geen bescherming van de Griekse autoriteiten. Eiser is bij een bezoek aan de Acropolis door de politie aangehouden en gedetineerd geweest. Voor het doen van een aangifte moest hij € 85,- betalen en dat geld heeft eiser niet.
Beoordeling rechtbank
4. De vraag is of eiser bij terugkeer naar Griekenland te vrezen heeft voor een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt en overweegt daartoe het volgende.
5. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de situatie van statushouders in Griekenland in beginsel niet zo slecht is dat zij bij terugkeer naar Griekenland te vrezen hebben voor een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De Afdeling is van oordeel dat de situatie van statushouders in Griekenland weliswaar moeilijk is maar dat deze niet zodanig is dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan.
6. Verweerder stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status zelf effectueert. Uit het persoonlijk relaas van eiser is niet gebleken dat hij hiertoe (voldoende) inspanningen heeft verricht. Het ligt op de weg van eiser om zijn beklag te doen bij de hogere Griekse autoriteiten of geëigende instanties als hij ontevreden is over de handelwijze van de politie in Griekenland. Gesteld noch gebleken is dat eiser dat heeft gedaan, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat de Griekse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Gelet daarop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM en dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
Conclusie
De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL20.19952 ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.19953 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Niekel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.