Bestuursrecht overig
Vovo, hangende beroep, tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek ten aanzien van de MUPI…
Rechtbank Den Haag, 4 mei 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:11895 · Rechtbank Den Haag · 4 mei 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2023-11895
Zaakgegevens
Op 4 mei 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 mei 2023
- Datum publicatie
- 9 augustus 2023
- Zaaknummer
- 22_8275
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11895
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo, hangende beroep, tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek ten aanzien van de MUPI. MUPI reeds verwijderd. Bij indienen vovo was dus geen sprake van een spoedeisend belang. Afwijzing verzoek om PKV.
Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8275
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2023 op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen
Stichting [verzoekster], te [vestigingsplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Procesverloop
Bij verzoekschrift van 23 december 2022 heeft verzoekster, tegelijk met haar beroep (SGR 22/8273, tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om handhaving van
1 augustus 2022 ten aanzien van de plaatsing van de digitale reclamezuil, ofwel een Mobilier Urbain à Publicité Illuminé (MUPI), de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 16 januari 2023 bericht dat de in geding zijnde MUPI reeds op
22 december 2022 verwijderd is.
Verzoekster heeft desgevraagd bij mailbericht van 22 januari 2023 het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht om over te gaan tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Verweerder heeft op 15 februari 2023 een reactie ingezonden.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoet gekomen en indien daarom bij intrekking is verzocht, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs dienden te worden gemaakt.
2. Eén van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil er sprake kunnen zijn van een proceskostenveroordeling van verweerder bij gelegenheid van de intrekking van het verzoek is dat er sprake is van een zogeheten tegemoetkomen door verweerder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in artikel 8:75a van de Awb bedoelde situatie zich hier niet voordoet en zal verweerder daarom niet veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Uit de stukken blijkt namelijk dat de gewraakte reclamezuil (MUPI) reeds op 22 december 2022 was verwijderd. Bij het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 december 2022 was er dus geen sprake van een spoedeisend belang en was het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening overbodig.
3. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.