Bestuursrecht overig
Spoedeisend belang niet aangetoond. Niet blijkt dat er sprake is van een acute financiele noodsituatie.
Rechtbank Den Haag, 15 september 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:14126 · Rechtbank Den Haag · 15 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2023-14126
Zaakgegevens
Op 15 september 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 september 2023
- Datum publicatie
- 19 september 2023
- Zaaknummer
- 23/4908
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14126
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Spoedeisend belang niet aangetoond. Niet blijkt dat er sprake is van een acute financiele noodsituatie.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4908
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2023 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Inleiding
Met het primaire besluit van 30 juni 2022 heeft verweerder een bestuurlijke boete van € 10.000,- aan verzoeker opgelegd.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 17 oktober 2022 is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker verhuurt een pand aan de [adres] [nummer] in [plaats]. Voor de verhuur van deze woning is een huisvestingsvergunning nodig. Tijdens een controle op 20 april 2022 heeft verweerder geconstateerd dat verzoeker de woning in gebruik heeft gegeven zonder een huisvestingsvergunning. Verweerder heeft een bestuurlijke boete ter hoogte van € 10.000,- aan verzoeker opgelegd.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker stelt zich kort samengevat op het standpunt dat hij niet over de financiële middelen beschikt om de boete te betalen. Dit mede omdat hij een lening ter hoogte van € 85.583,90 moet terug betalen. Verzoeker heeft dan ook een voorlopige voorziening gevraagd om de werking van het besluit op te schorten tot uitspraak is gedaan in de beroepszaak met het kenmerk SGR AWB 22/7649.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie of als de continuïteit van de betrokken onderneming wordt bedreigd. Hiertoe ziet de voorzieningenrechter in deze zaak onvoldoende aanknopingspunten. Verzoeker heeft alleen een brief van RNHB ingediend waaruit blijkt dat hij een lening ter hoogte van € 85.583,90 per 1 augustus 2023 moet voldoen. Hieruit kan weliswaar worden opgemaakt dat verzoeker een lening moet terug betalen maar het zegt niks over zijn verdere financiële situatie. Verzoeker heeft geen gegevens overgelegd over zijn eigen vermogen, inkomen of enig ander financieel stuk. Daarom kan met de door verzoeker overgelegde informatie niet worden aangetoond dat hij de dwangsom niet kan betalen.
7. Gelet op het voorgaande heeft verzoeker het spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorlopige voorziening onvoldoende aangetoond. De door verzoeker gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake.
Conclusie
8. Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, is het verzoek kennelijk ongegrond en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Verzoeker krijgt het griffierecht dan ook niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2023.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: