Omgevingsrecht
Vovo tegen verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning en een bedrijfsruimte voor de…
Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21047 · Rechtbank Den Haag · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21047
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- SGR 26/4685
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21047
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo tegen verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning en een bedrijfsruimte voor de huisvesting van buitenlandse werknemers afgewezen. Het college heeft terecht de gevraagde omgevingsvergunning verleend, maar het gebruik van de gebouwen ten behoeve van arbeidsmigranten die niet werken in het bedrijf waarvan de gebouwen deel uitmaken niet is toegestaan. Kortsluiting.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/730 en SGR 26/4685
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.T. Stevens),
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college
(gemachtigde: mr. S. Verouden).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: PDW Beheer B.V., te Hillegom (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning en een bedrijfsruimte voor de huisvesting van buitenlandse werknemers aan [adres] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend, maar dat het gebruik van de gebouwen ten behoeve van arbeidsmigranten die niet werken in het bedrijf waarvan de gebouwen deel uitmaken niet is toegestaan. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Op 9 juni 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag om genoemde omgevingsvergunning ingediend.
Met het besluit van 5 juni 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Met het bestreden besluit van 15 december 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Met het besluit van 26 mei 2026 heeft het college het bestreden besluit aangevuld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaak SGR 26/730) en de voorzieningen-rechter verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening (zaak SGR 26/4685).
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft een schriftelijke vraag gesteld aan eiser. Eiser heeft deze op 9 juli 2026 beantwoord.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote [naam 1] , de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam 2] namens, vergunninghoudster, vergezeld door [naam 3] en [naam 4] .
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Inleiding
3. De aanvraag voorziet in het (met name intern) verbouwen van een woning en bedrijfsruimte (voormalige kantine) tot huisvesting voor 21 tijdelijke, buitenlandse werknemers/arbeidsmigranten. In de woning worden 11 personen gehuisvest en in het bedrijfsgebouw 10 personen. Het perceel van eiser grenst aan percelen bollengrond die in eigendom en gebruik zijn van het bedrijf [bedrijf] .
Belanghebbendheid eiser
4. Eiser woont ten zuidwesten van de percelen waarop het bouwplan betrekking heeft op een afstand van ruim 180 meter. Uit de door eiser overgelegde koopakte blijk dat het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastraal nummer] , dat grenst aan het perceel waarop het project betrekking heeft, in eigendom is van eiser. Reeds hierom moet eiser als belanghebbende worden aangemerkt bij het bestreden besluit.
Het wijzigingsbesluit van 26 mei 2026
5. Het besluit van 26 mei 2026 moet worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit van 15 december 2025 waartegen het beroep van eiser van rechtswege mede gericht is. De voorzieningenrechter zal daarom in deze procedure het bestreden besluit beoordelen zoals dat is gewijzigd met het besluit van 26 mei 2026.
Toetsingskader
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is vóór 1 januari 2024 ingediend, zodat in dit geval de Wabo nog van toepassing is.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Noordwijkerhout 2 ? herziening”, waarin de gebouwen waarop het project betrekking heeft – voor zover van belang - de bestemming “Agrarisch-Bollenteelt-Bollenzone 1” hebben. De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een bollenteeltbedrijf en het wonen in een agrarische bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch-plattelandswoning”.
Niet in geschil is, en ook de voorzieningenrechter gaat daar vanuit, dat de logiesgewijze huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met de bestemming.
Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo volgt dat voor het bouwen van een bouwwerk en voor het handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning is vereist. De omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend als de voorgenomen activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en als voldaan wordt aan de voorwaarden uit het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Niet bestreden is dat op grond van artikel 4, onder 9 van Bijlage II van het Bor medewerking kan worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan, nu het gaat om het gebruiken van bouwwerken in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, het gaat om een locatie gelegen buiten de bebouwde kom en het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers.
Het college heeft voor het toepassen van zijn afwijkingsbevoegdheden de beleidsregel “Planologische afwijkingen Noordwijk 2023” vastgesteld. In artikel 3.9.2 daarvan wordt verwezen naar de “Beleidsregel ruimtelijke randvoorwaarden logiesgewijze huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten 2022 Duin- en Bollenstreek” (de beleidsregel) of de opvolger daarvan.
In artikel 5.3 van de beleidsregel is in de paragraaf “Bestaande agrarische bedrijfsgebouwen bij bestaande agrarische bedrijven en niet agrarische bedrijfsgebouwen bij bestaande niet-agrarische bedrijven” onder meer vermeld dat de logiesvoorzieningen alleen mogen worden gebruikt ten behoeve van arbeidsmigranten, werkzaam bij het agrarisch bedrijf dan wel niet-agrarisch bedrijf waarvan het betreffende bedrijfsgebouw onderdeel uitmaakt.
Het bestreden besluit
7. In het aangevulde bestreden besluit is overwogen dat vergunninghoudster op 13 mei 2026 alsnog een deskundigenadvies heeft overgelegd dat aantoont dat de tijdelijke huisvesting noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van het bedrijf. Het betreft de notitie van Expertisecentrum Flexwonen van 18 mei 2026 (de notitie). Het college heeft dit advies overgenomen en toegevoegd aan de onderbouwing van de omgevingsvergunning.
Gronden
8. Eiser voert aan dat de notitie onvoldoende is om als nadere onderbouwing van het bestreden besluit te dienen, omdat deze te generiek van aard is.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de notitie op alle onderdelen wordt stilgestaan bij de noodzaak tot huisvesting ten behoeve van het bedrijf [bedrijf] .
De voorzieningenrechter stelt vast dat het in de notitie in de paragrafen 1 tot en met 3 expliciet gaat het over het bedrijf [bedrijf] en deelt daarom niet het standpunt van eiser dat de notitie te generiek van aard is. Deze grond slaagt dan ook niet.
9. Eiser betoogt dat, nu de deskundige aangeeft dat het om hooguit 75 mensen gaat, waarvan er maximaal 50 gehuisvest hoeven te worden, het college ten onrechte niet nader heeft beoordeeld of dit aantal arbeidsmigranten wellicht wél tijdelijk te huisvesten is bij het bedrijf.
Het college stelt zich op het standpunt dat het aantal arbeidsmigranten dat gehuisvest kan worden in deze bebouwing fors kleiner is dan het aantal arbeidsmigranten dat werkzaam is op het bedrijf, zodat er een tekort aan huisvesting blijft bestaan. Voor de arbeidskrachten die worden ingehuurd via uitzendbureaus is onvoldoende kwalitatief geschikte huisvesting beschikbaar op korte afstand van het bedrijf. Dit maakt dit initiatief nodig. Bij het bedrijf zelf is onvoldoende ruimte om huisvestiging van arbeidsmigranten te creëren die voldoet aan de eisen van een goed woon- en leefklimaat. Een aanvraag daartoe is daarom ook afgewezen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op deze wijze afdoende gemotiveerd dat er bij het bedrijf [bedrijf] een tekort aan huisvesting voor tijdelijke arbeidskrachten bestaat, die niet op een terrein bij het bedrijf gehuisvest kunnen worden. Of de totale omvang van het aantal arbeidsmigranten dat voor het bedrijf werkt nu 75 of groter is, is daarbij niet van belang.
10. Volgens eiser blijkt uit de notitie dat deze huisvestingslocatie gebruikt zal worden voor de huisvesting van arbeidsmigranten uit de gehele branche en niet specifiek voor dit bedrijf. Hiermee is naar zijn mening niet voldaan aan de voorwaarde onder 5.3 van de beleidsregel.
Het college stelt dat uit navraag is gebleken dat de werknemers zowel werkzaam zijn op de [plaats] als op teeltgronden in Vogelenzang, De Zilk, Hillegom en Noordwijk. Daarnaast is van belang dat de locatie aan [adres] een voormalige agrarische bedrijfswoning betreft gekoppeld aan bedrijfsbebouwing en bollengrond. De arbeidskrachten worden ook ingezet op de aangrenzende percelen bollengrond.
De voorzieningenrechter ziet geen reden daaraan te twijfelen. In de notitie wordt vermeld dat het project vooral in de winterperiode noodzakelijk is voor het bedrijf. Vergunninghoudster heeft dit op de zitting bevestigd. Deze grond slaagt evenmin.
Ter voorlichting van partijen overweegt de voorzieningenrechter dat eiser wel terecht aanvoert dat, gelet op artikel 5.3 van de beleidsregel, de gebouwen alleen mogen worden gebruikt ten behoeve van arbeidsmigranten, werkzaam bij het agrarisch bedrijf waarvan het betreffende bedrijfsgebouw onderdeel uitmaakt. Voor zover vergunninghoud-ster buiten de winterperiode ook arbeidsmigranten van andere bedrijven ter plaatse wil huisvesten, zal zij daarvoor een afzonderlijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit moeten aanvragen.
11. De vrees van eiser voor onevenredige overlast als gevolg van het gebruik van de gebouwen betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis waar het college bij de verlening van de omgevingsvergunning geen rekening mee hoefde te houden. Dat geldt des te meer, nu uit een akoestisch onderzoek niet gebleken is van te verwachten onaanvaardbare geluidhinder in de omgeving en er een besloten binnenplaats in het bouwplan is voorzien voor sociale interactie van de werknemers.
12. Gelet op wat hierboven is overwogen, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan gebruik kunnen maken.
13. Aangezien geen van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft het college, gelet op artikel 2.10 van de Wabo, naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit standhoudt.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.