Socialezekerheidsrecht
Beroep tegen een besluit dat is genomen op de voet van artikel 4:94 Awb, uitstel van betaling. Eiser betwist…
Rechtbank Den Haag, 2 december 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:13841 · Rechtbank Den Haag · 2 december 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2022-13841
Zaakgegevens
Op 2 december 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 december 2022
- Datum publicatie
- 21 december 2022
- Zaaknummer
- SGR 21/4724
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13841
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen een besluit dat is genomen op de voet van artikel 4:94 Awb, uitstel van betaling. Eiser betwist de vorderingen. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 21/4724 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2022 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
gemachtigde: mr. P. Siemerink.
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser uitstel van betaling verleend voor de duur van maximaal drie jaar voor het aflossen van zijn schulden.
Bij besluit van 7 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser ontving een bijstandsuitkering. Op telefonisch verzoek van eiser heeft verweerder op 4 november 2019 een overzicht aan eiser verzonden van de openstaande vorderingen van verweerder op eiser. Op diezelfde datum heeft verweerder een betalingsregeling afgesproken met eiser voor deze schulden. Afgesproken is dat hij vanaf november elke maand € 50,- aflost.
2. In het primaire besluit constateert verweerder dat eiser niet maandelijks aflost op de openstaande vorderingen. Verweerder verleent blijkens het besluit uitstel van betaling voor de vorderingen waarop hij niet aflost. Verweerder heeft bij dit besluit een schuldenoverzicht gevoegd.
3. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit per openstaande vordering een uitleg gegeven waarop de schulden zijn gebaseerd. Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard op de grond dat met het primaire besluit geen rechtsgevolgen ten aanzien van het bestaan van de schulden in het leven zijn geroepen. De schulden waren reeds eerder aan eiser per beschikking bekend gemaakt.
4. Eiser ontkent in beroep het bestaan van een aantal van de vermelde schulden.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank begrijpt het beroep zo dat eiser daarmee wil bereiken dat in rechte wordt vastgesteld welke schulden verweerder op eiser heeft, en in het bijzonder dat verweerder veel minder vorderingen op eiser heeft dan in het primaire besluit gesteld.
De rechtbank constateert dat de vorderingen die in het primaire besluit staan, vorderingen betreffen die reeds eerder bij besluit van verweerder aan eiser bekend zijn gemaakt en (kennelijk) in rechte zijn komen vast te staan. Het bestreden besluit, dat is genomen op de voet van artikel 4:94 van de Awb, behelst slechts het verlenen van uitstel van betaling. Het besluit wijzigt niets ten aanzien van de verschuldigdheid van de betaling als zodanig.
De rechtbank overweegt dat aldus eiser met zijn beroep niet kan bereiken wat hij wenst. Immers, in de onderhavige procedure staat niet de verschuldigdheid van een vorderingen als zodanig ter discussie, maar slechts het uitstel tot betaling. Tegen dit uitstel zijn géén gronden gericht.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder de bezwaren van eiser mitsdien terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep is derhalve ongegrond.
De rechtbank overweegt ten slotte als volgt. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit, naast de beslissing de bezwaren ongegrond te verklaren, verweerder tevens de aanduiding ‘niet ontvankelijk’ heeft gebruikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden nu dat niet tot een andere uitkomst zou leiden, te meer nu blijkens de bestreden beschikking de bezwaren van eiser inhoudelijk zijn beoordeeld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2022 door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.