Socialezekerheidsrecht

Vovo. Pw. Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Nieuwe aanvraag is toegekend. Intrekking vovo met verzoek om…

Rechtbank Den Haag, 9 juli 2025

Zaakgegevens

Op 9 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 juli 2025
Datum publicatie
31 oktober 2025
Zaaknummer
25/3313
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:20122
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo. Pw. Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Nieuwe aanvraag is toegekend. Intrekking vovo met verzoek om een proceskostenveroordeling. Geen sprake van tegemoetkomen, afwijzing en toekenning hebben elk betrekking op een andere procedure. Verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/3313

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2025 in de zaak tussen


[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster) uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

1.1.

Verzoekers hebben op 11 februari 2025 een aanvraag gedaan voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 april 2025 afgewezen.

1.2.

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en zij hebben op 12 mei 2025 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.

Verzoekers hebben hun verzoek om een voorlopige voorziening op 23 mei 2025 ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

1.4.

De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Overwegingen

2. Verzoekers hebben op 11 april 2025 een nieuwe aanvraag gedaan voor een bijstandsuitkering. Verweerder heeft met het besluit van 23 mei 2025 een bijstandsuitkering toegekend aan verzoekers vanaf 11 april 2025.

3. Naar aanleiding van de toekenning hebben verzoekers hun verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met het verzoek om een proceskostenveroordeling, omdat volgens verzoekers met het besluit van 23 mei 2025 tegemoet is gekomen aan verzoekers.

4. Verweerder meent dat er geen sprake is van tegemoetkomen omdat de toegekende bijstand op een andere periode ziet.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1.

Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten. De vraag of en, zo ja, in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen dient in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure.

5.2.

De bodemprocedure waar het verzoek op ziet betreft de procedure die is gestart met de aanvraag van 11 februari 2025 en waarop bij besluit van 8 april 2025 afwijzend is beslist. Op 11 april 2025 hebben verzoekers een nieuwe aanvraag ingediend. De bodemprocedure waar het verzoek op ziet heeft geen betrekking op de periode na 11 april 2025, waar het besluit van 23 mei 2025 op ziet. Daarom is met de toekenning bij besluit van 23 mei 2025 geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan de bezwaren tegen de afwijzing van bijstand bij besluit van 8 april 2025.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).