Socialezekerheidsrecht
Beroep ongegrond. Er bestaat geen aanleiding om de ingehouden bedragen te restitueren.
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28193 · Rechtbank Den Haag · 28 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-28193
Zaakgegevens
Op 28 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2025
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/8486
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28193
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep ongegrond. Er bestaat geen aanleiding om de ingehouden bedragen te restitueren.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8486
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen
drs. [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om terugbetaling van op zijn uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) ingehouden bedragen afgewezen.
Bij email van 3 juni 2024 heeft eiser hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is nader gemotiveerd op 9 juli 2024.
Bij besluit van 13 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht ongegrond heeft verklaard.
2. Uit de stukken blijkt het volgende. Eiser ontvangt van verweerder een uitkering ingevolge de Pw ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Verweerder heeft in de periode van februari 2021 tot en met december 2023 maandelijks naast een reservering vakantiegeld van 5% van de basisnorm, tevens 5% ingehouden ter aflossing van een lening. Bij brief van 26 februari 2024 heeft eiser verzocht om terugbetaling van € 1.959,61 omdat verweerder volgens hem over de eerdergenoemde periode ten onrechte elke maand 5% op zijn uitkering heeft ingehouden. In deze brief heeft eiser ook verzocht om vergoeding van wettelijke rente over genoemd bedrag, en om een schadevergoeding gelijk aan het volgens hem ten onrechte ingehouden bedrag.
3. Verweerder heeft voornoemd verzoek bij het primaire besluit afgewezen. Het bezwaar tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Kort gezegd stelt verweerder zich op het standpunt dat de besluiten waarbij 5% vakantietoeslag wordt gereserveerd en 5% op de uitkering wordt ingehouden ter aflossing van leningen, onherroepelijk zijn.
4. Eiser voert in beroep aan dat er geen grondslag was en is voor de inhouding van 5% ter aflossing van leningen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland stelt eiser dat hij door de reservering van vakantiegeld in combinatie met de genoemde inhouding van 5% tussen februari 2021 en december 2023 heeft moeten leven van 90% van de bijstandsnorm. Daarom heeft hij verzocht om terugbetaling van die inhoudingen, inclusief wettelijke rente en een schadevergoeding wegens immateriële schade.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
5. Uit de gedingstukken blijkt dat aan eiser in het verleden een bedrijfskrediet van
€ 25.000,- is verstrekt op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. De aflossingsverplichting voor het verleende bedrijfskrediet is begonnen per 1 mei 2018.
6. Bij besluit van 30 maart 2021 heeft verweerder beslist op de aanvraag van eiser om een uitkering ingevolge de Pw. Daarbij is de uitkering toegekend met ingang van
11 december 2020. Blijkens de tekst van het besluit wordt op de netto uitkering van eiser een reservering vakantietoeslag in mindering gebracht (5% van de netto uitkering) en daarnaast wordt 5% ingehouden ter aflossing van een lening. Tegen deze cumulatie van inhoudingen heeft eiser al eerder bezwaar gemaakt, omdat naar zijn oordeel daardoor minder uitkering overblijft dan de beslagvrije voet. Over de beslissing op dit bezwaar heeft de rechtbank echter reeds geoordeeld bij uitspraak van 26 juli 2023, registratienummers SGR 21/6007, 21/6187 en 22/41. In die uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de inhouding op de bijstandsuitkering van een bedrag ter hoogte van 5% van de bijstandsnorm ten behoeve van de aflossing van schulden. Daarom is dat aspect niet beoordeeld. Verweerder heeft reeds hierom terecht geen aanleiding gezien om de ingehouden bedragen te restitueren.
7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de door eiser genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op het vorenstaande geen ander licht werpt. Deze uitspraak betrof een beslaglegging op de uitkering. In zo’n geval kan de beslagene zich beroepen op de beslagvrije voet, die een inkomen ter hoogte van 95% van de bijstandsnorm garandeert. In het geval van eiser is op de uitkering geen beslag gelegd, maar werd (naast de reservering van vakantiegeld) 5% op de uitkering ingehouden in verband met aflossing van een geldlening.
8. Aangezien het verzoek om restitutie van ingehouden bedragen op juiste grond is afgewezen, bestond er voor verweerder geen aanleiding om een schadevergoeding (in de vorm van wettelijke rente of een geldbedrag wegens geleden immateriële schade) toe te kennen.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.