Socialezekerheidsrecht
Wlz. Beroep tegen de afwijzing van aanvraag EKT en verzoek om vergoeding van de kosten van extra geleverde…
Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20790 · Rechtbank Den Haag · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-20790
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- SGR 24/7727
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20790
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wlz. Beroep tegen de afwijzing van aanvraag EKT en verzoek om vergoeding van de kosten van extra geleverde zorg. Beroep is gegrond voor zover het bezwaar is gericht tegen het vervallen verklaren van de EKT-aanvraag. Met het bestreden besluit is de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en terecht geconcludeerd dat er geen recht op EKT bestaat, dus de rechtsgevolgen worden in standgelaten. Vanaf opname in ziekenehuis en zorginstelling geen recht meer op uitbetaling pgb. Inzet van extra zorg komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7727
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
de erven van [naam 1] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: L.S. Langenegger),
en
Zorgkantoor Zorg en Zekerheid, het zorgkantoor
(gemachtigde: mr. R. Roodenburg).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers gericht tegen de afwijzing hun aanvraag om een Extra Kosten Thuis (EKT) toeslag en het verzoek om vergoeding van de kosten van extra geleverde zorg ten behoeve van wijlen [naam 1] ( [naam 1] ). Ook beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke toekenning van beëindigings- en onvermijdbare kosten en het verzoek om een schadevergoeding.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor ten onrechte de EKT aanvraag als ingetrokken heeft beschouwd. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin het bezwaar gericht tegen het vervallen van de EKT aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard. Omdat het zorgkantoor in het bestreden besluit de EKT aanvraag alsnog inhoudelijk heeft beoordeeld en terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen recht op een EKT-toeslag bestaat, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 9 november 2023 (primair besluit 1) heeft het zorgkantoor de aanvraag om beëindigings- en onvermijdbare kosten op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.
Met het besluit van 11 april 2024 (primair besluit 2) heeft het zorgkantoor een (aangepaste) eindbeschikking persoonsgebonden budget (pgb) 2023 bekendgemaakt.
Met het bestreden besluit van 8 augustus 2024 heeft het zorgkantoor het bezwaar van eisers gericht tegen het vervallen verklaren van de EKT aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor beëindigings- en onvermijdbare kosten en tegen de eindbeschikking van 11 april 2024 is gegrond verklaard.
Namens [naam 1] is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [naam 1] is op [datum] 2024 overleden. Eisers hebben het beroep tegen het bestreden besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] , [naam 3] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het zorgkantoor en [naam 4] (werkzaam bij het zorgkantoor).
Beoordeling door de rechtbank
Wat er aan deze procedure voorafging
3. [naam 1] was geïndiceerd voor zorg op grond van de Wlz. [naam 1] realiseerde de zorg met een pgb. [naam 2] , zoon en wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1] , was aangesteld als gewaarborgde hulp.
Namens [naam 1] is op 27 november 2022 een aanvraag om een EKT-toeslag ingediend voor de extra kosten van professionele begeleiding vanuit Fleur de Dag, die niet gedekt konden worden vanuit het pgb. Verzocht is om een EKT-toeslag ter hoogte van € 1.257,65 per week met ingang van 1 december 2022.
[naam 1] is op 29 december 2022 opgenomen in het Alrijne ziekenhuis ten gevolge van een val. Op 6 januari 2023 is ze vanuit het ziekenhuis overgebracht naar de [zorginstelling] in [plaats] . Bij besluit van 12 januari 2023 heeft het zorgkantoor het pgb beëindigd vanwege de opname van [naam 1] in een zorginstelling.
Bij brief van 16 januari 2023 heeft het zorgkantoor de beslistermijn voor behandeling van de EKT aanvraag verlengd met 6 weken.
Op 23 januari 2023 heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [naam 2] en het zorgkantoor. Vervolgens heeft het zorgkantoor in de brief van 24 januari 2023 aan [naam 1] medegedeeld dat de EKT aanvraag als vervallen wordt beschouwd, gelet op het besprokene tijdens het telefoongesprek van de dag daarvoor.
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft het zorgkantoor de eindbeschikking pgb over 2023 vastgesteld. Het beschikbare budget over de periode van 1 januari 2023 tot en met 7 maart 2023 was € 9.923,88, waarvan € 0,- is besteed.
Bij brief van 31 augustus 2023 heeft het zorgkantoor medegedeeld dat de gewaarborgde hulp heeft verzocht om uitbetaling van een eenmalige uitkering ter hoogte van € 1.457,- aan de zorgverlener [naam 5] . Het zorgkantoor heeft het verzoek ingediend bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).
Op 11 oktober 2023 is namens [naam 1] een aanvraagformulier voor beëindigingskosten en onvermijdbare kosten ingediend. Er is verzocht om vergoeding van € 7.348,36 voor zorg die is geleverd door [naam 6] / [zorgverlener] , Fleur de Dag en [naam 5] over de periode van januari 1 januari 2023 tot en met 8 maart 2023. Ook is aangegeven dat er nog een beslissing op de EKT-aanvraag wordt verwacht.
Met primair besluit 1 heeft het zorgkantoor de aanvraag om beëindigings- en onvermijdbare kosten afgewezen. De zorgkosten die zijn gemaakt door zorgverleners met een geldige zorgovereenkomst kunnen tot en met 6 januari 2023 gedeclareerd worden vanuit het resterende pgb. Na 6 januari 2023 is het volledige budget voor de Wlz-indicatie toegewezen aan [zorginstelling] . Verder heeft het zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat de EKT aanvraag van 28 november 2022 is komen te vervallen. Tegen dit besluit is op 2 december 2023 bezwaar gemaakt.
Met primair besluit 2 heeft het zorgkantoor een (aangepaste) eindbeschikking pgb 2023 opgesteld. Het beschikbare budget over de periode van 1 januari 2023 tot en met 7 maart 2023 was € 9.923,88, waarvan een bedrag van € 1.457,- is besteed. Tegen dit besluit is op 20 mei 2024 bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
4. Ten aanzien van de EKT-aanvraag van 27 november 2022 stelt het zorgkantoor zich op het standpunt dat de aanvraag tijdens het telefoongesprek op 23 januari 2023 is ingetrokken. Dit is vastgelegd in de interne telefoonnotitie van 23 januari 2023 en is aan eisers bevestigd met de brief van 24 januari 2024. Het zorgkantoor meent dat in de e-mail afkomstig van de gewaarborgde hulp van 24 januari 2023 – die pas in de bezwaarprocedure boven tafel is gekomen – geen ontkenning dan wel weerlegging van het intrekken van de EKT-aanvraag valt te lezen. Het zorgkantoor leest hierin een verzoek om advies voor eventuele overige financieringsmogelijkheden. Ook de telefoonnotitie van 7 augustus 2023 bevestigt dat de EKT aanvraag was komen te vervallen. Omdat er slechts sprake is geweest van een aanvraag en na de intrekking van de aanvraag voor de betreffende periode het recht op pgb bleef bestaan, is de rechtspositie van [naam 1] niet gewijzigd met de brief van 24 januari 2023. Derhalve kan de brief niet worden aangemerkt als een besluit dat voor bezwaar vatbaar is. Het bezwaar gericht tegen het vervallen van de EKT-aanvraag is daarom niet-ontvankelijk.
Ten overvloede stelt het zorgkantoor dat, in geval het bezwaar gericht tegen het vervallen verklaren van de EKT-aanvraag wel ontvankelijk zou zijn, het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. Volgens het zorgkantoor komen eisers namelijk niet in aanmerking voor een EKT-toeslag. Uit de notities van het telefoongesprek op 7 augustus 2023 blijkt dat er over 2022 geen zorgkosten waren die nog gedeclareerd konden worden, maar dat de EKT-toeslag zou worden gebruikt om een feestdagenvergoeding uit te betalen aan de zorgverleners. Vanaf het moment dat [naam 1] opgenomen werd in het ziekenhuis en aansluitend daarop in [zorginstelling] , kan het pgb niet meer worden ingezet om extra zorg in te kopen. De zorg kwam vanaf dat moment voor rekening van de desbetreffende instelling. Het zorgkantoor ziet geen aanleiding om in dit geval een uitzondering te maken, omdat het geen kortdurende en dusdanig uitzonderlijke situatie was die toekenning van een EKT-toeslag rechtvaardigt.
Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om beëindigings- en onvermijdbare kosten stelt het zorgkantoor dat de kosten van extra ingezette zorg in de periode dat [naam 1] in het ziekenhuis en [zorginstelling] was opgenomen, niet onder de noemer van beëindigings- of onvermijdbare kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten van zorg die ten behoeve van de budgethouder is verleend na opname in een zorginstelling vallen niet onder beëindigings- en onvermijdbare kosten. Hoewel Fleur de Dag en [zorgverlener] feitelijk gezien geen aanspraak kunnen maken op een eenmalige uitkering, omdat beëindigingskosten in verband met een opzegtermijn niet bedoeld zijn voor zorginstellingen, heeft het zorgkantoor toch een eenmalige uitkering aan beide toegekend. Het bezwaar is in zoverre gegrond verklaard.
Ten aanzien van de kosten voor de extra ondersteuning die is ingekocht toen [naam 1] verbleef in [zorginstelling] stelt het zorgkantoor dat het met het inkopen van de zorg bij een zorginstelling aan de zorgplicht heeft voldaan. Wanneer er recht op verblijf in een zorginstelling wordt verzilverd, bestaat er in principe geen aanspraak meer op pgb. Er kan dan ook geen pgb of ander soort vergoeding worden toegekend voor de extra ondersteunende zorg die eisers hebben ingezet ten behoeve van [naam 1] .
Het zorgkantoor ziet aanleiding om de eindbeschikking 2023 van primair besluit 2 in het bestreden besluit aan te passen. De herziening van de eindafrekening berust echter niet op een aan het zorgkantoor te wijten fout, maar komt doordat alsnog akkoord is gegaan met uitbetaling van een eenmalige uitkering aan Fleur de Dag en [zorgverlener] . Het zorgkantoor wijst daarom de door eisers gestelde aansprakelijkheid af.
Beoordeling door de rechtbank
Was de EKT aanvraag ingetrokken?
5. Eisers voeren aan dat het zorgkantoor de EKT aanvraag ten onrechte als vervallen heeft beschouwd. Er is nooit mondeling of schriftelijk ingestemd met intrekking van de aanvraag. Zij hebben de intrekking van de aanvraag bovendien uitdrukkelijk betwist in de correspondentie met het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft daarom pas met het bestreden besluit op de EKT aanvraag beslist. De wettelijke beslistermijn is daarmee ruimschoots overschreden.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van intrekking van de EKT aanvraag door eisers. Gelet op de aanhoudende verzoeken van eisers om een beslissing op de aanvraag te nemen, had het zorgkantoor zich moeten realiseren dat de aanvraag niet was ingetrokken. Het zorgkantoor heeft zich in het bestreden besluit dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar gericht tegen het vervallen van de EKT aanvraag niet-ontvankelijk is.
Het zorgkantoor heeft echter in het bestreden besluit de EKT aanvraag ook inhoudelijk beoordeeld en deze op inhoudelijke gronden afgewezen. Eisers hebben gronden tegen de afwijzing van de aanvraag naar voren gebracht, die ter zitting inhoudelijk zijn besproken. Hoewel de beslissing op bezwaar wat de EKT aanvraag betreft feitelijk een primair besluit is, omdat daarin voor het eerst op de aanvraag is besloten, zal de rechtbank daar vanwege proceseconomische redenen aan voorbij gaan. De rechtbank zal daarom overgaan tot beoordeling van de afwijzing van de EKT aanvraag.
Voor zover eisers met de beroepsgrond dat de beslistermijn is verstreken bedoelen dat hierdoor een dwangsom is verbeurd, slaagt dit betoog niet. Aangezien het zorgkantoor ter zake van het niet tijdig beslissen niet door eisers in gebreke is gesteld, kan het overschrijden van de beslistermijn niet leiden tot het verbeuren van een dwangsom.
Heeft het zorgkantoor de EKT aanvraag kunnen afwijzen?
6. Eisers verzoeken om vergoeding van de zorgkosten onder de noemer van EKT die niet door het pgb zijn gedekt over de periode van 1 december 2022 tot en met 29 december 2022 ter hoogte van € 1.206,43. Eisers voeren aan dat de zorgkosten in deze periode zijn gestegen als gevolg van de verslechtering van de gezondheid van [naam 1] . Omdat de (goedkopere) informele zorgverlener [naam 5] wegens zijn medische situatie niet in staat was de verzwaring van de zorg te ondervangen, zijn er extra kosten gemaakt door de inzet van professionele zorg, verleend door [zorgverlener] en Fleur de Dag.
Op grond van artikel 5.1a van de Regeling langdurige zorg kan het zorgkantoor het basisbudget pgb verhogen met ten hoogste 25% vanwege dat het pgb niet op doelmatige wijze te huize van de verzekerde kan worden geleverd.
In hoofdstuk 2 van de regeling Mogelijkheden voor extra budget van Zorgverzekeraars Nederland is uitgewerkt wat de EKT-toeslag is en wat de voorwaarden zijn om in aanmerking te komen. Hieruit volgt dat EKT-toeslag is bedoeld voor mensen die graag thuis willen wonen, maar die niet uitkomen met hun budget. Het tekort moet worden aangetoond aan de hand van de ingekochte zorg en de (te verwachten) bestedingen. Het extra budget is ter voorkoming van een onverantwoorde situatie thuis. Ook moet zijn onderzocht of het huidige budget niet doelmatiger besteed kan worden.
De rechtbank volgt het zorgkantoor in zijn stelling dat eisers niet in aanmerking komen voor een EKT-toeslag. De noodzaak om extra zorg aan huis in te kopen in de periode van 1 december 2022 tot en met 29 december ter voorkoming van een onverantwoorde situatie thuis is niet gebleken. Uit de door eisers overgelegde informatie van de huisarts van 25 augustus 2025 kan worden afgeleid dat [naam 1] op 7 december 2022 vanwege medische klachten is langs geweest en dat de huisarts heeft geadviseerd haar thuis te laten met verzorging. Hieruit volgt niet, zoals eisers stellen, dat [naam 1] niet alleen mocht worden gelaten en dat zij alleen thuis kon blijven als er continue verzorging aanwezig was. De grond slaagt niet.
Is er sprake van kosten voor de extra geleverde zorg vanaf de opname in het ziekenhuis?
7. Eisers voeren aan dat het zorgkantoor zijn zorgplicht heeft geschonden door geen gehoor te geven aan de aanvullende zorgvraag vanaf 29 december 2022. [naam 1] werd niet voorzien van de noodzakelijke zorg in verband met haar dementie in het ziekenhuis en ook verpleeghuis [zorginstelling] kon de vereiste zorg aanvankelijk niet volledig aan. Hierdoor was het noodzakelijk om extra zorg in te zetten. De kosten voor deze extra zorg dienen vergoed te worden door het zorgkantoor. Eisers verzoeken om betaling van een bedrag van € 15.140,06 aan kosten van zorg geleverd door Thuiszorgservice [naam 6] (voorheen werkzaam bij [zorgverlener] ).
De rechtbank volgt het zorgkantoor zijn stelling dat de regelgeving geen grondslag biedt voor vergoeding van de geclaimde kosten van de extra zorg in het ziekenhuis en in verpleeghuis [zorginstelling] . Verder is de gestelde noodzaak voor de extra zorg niet gebleken uit de ingediende medische informatie. Het enkele feit dat [naam 1] na de spoedopname in het ziekenhuis op 29 december 2022 niet werd verzorgd op een afdeling die was gespecialiseerd in geriatrie is daarvoor onvoldoende. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat het verpleeghuis [zorginstelling] nog maar kort in werking was. Ter zitting is door eisers desgevraagd gemeld dat zij geen klacht hebben ingediend in verband met tekort schietende zorg. Ook is niet gebleken dat zij zich tot de betreffende zorginstelling hebben gericht met een onderbouwd verzoek de zorg voor hun moeder op te schalen ter voorkoming van ernstig nadeel. Voor zover eisers betogen dat zij tot het inzetten van extra zorg werden genoodzaakt door tekortschietend toezicht door het zorgkantoor op de kwaliteit van de zorg in het ziekenhuis en vervolgens het verpleeghuis overweegt de rechtbank dat dit toezicht niet is belegd bij het zorgkantoor maar bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De grond slaagt niet.
De beëindigings- en onvermijdbare kosten
8. Eisers voeren aan dat de eenmalige uitkeringen aan [zorgverlener] en Fleur de Dag waar het zorgkantoor in het bestreden besluit toe heeft besloten onrechtmatig zijn. Zij vinden dat het zorgkantoor deze posten ten onrechte bij de bezwaarprocedure heeft betrokken.
De rechtbank stelt vast dat het zorgkantoor een eenmalige uitkering heeft gedaan aan [naam 5] en dat deze uitkering niet geding is. Het is de rechtbank niet gebleken dat het zorgkantoor wat betreft de eenmalige uitkering uit coulance aan [zorgverlener] en Fleur de Dag onzorgvuldig heeft gehandeld. In de aanvraag van 11 oktober 2023 is verzocht om toekenning van beëindigings- en onvermijdbare kosten voor onder andere [zorgverlener] en Fleur de Dag. Het zorgkantoor met het bestreden besluit dit verzoek gehonoreerd. De rechtbank ziet niet in dat eisers hiermee te kort zijn gedaan. De grond slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
9. Eisers voeren aan dat er sprake is van verwijtbaar foutief handelen door het zorgkantoor waardoor schade is geleden. Het onrechtmatig handelen van het zorgkantoor heeft de gemachtigde onevenredig veel tijd gekost, wat heeft geleid tot inkomstenderving. Deze schade ter hoogte van € 7.932,50 komt volgens eisers op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding in aanmerking.
Voor zover de gestelde onkosten van de gemachtigde van eisers al daadwerkelijk (geheel) door haar in rekening zijn gebracht bij eisers dan wel [naam 1] en zijn voldaan, waarvan niet is gebleken, overweegt de rechtbank als volgt.
Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Van een onrechtmatig besluit is gelet op hetgeen hiervoor besproken, geen sprake. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat met bestreden besluit het bezwaar tegen de intrekking van de EKT aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, maar aangezien de inhoudelijke beoordeling de toets der kritiek kan doorstaan, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Van een onrechtmatig besluit dat aanleiding kan vormen voor een schadevergoeding is daarom geen sprake.
De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar gericht tegen het vervallen verklaren van de EKT aanvraag, in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Omdat het beroep gegrond is moet het zorgkantoor het griffierecht aan eisers vergoeden. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding omdat eisers geen kosten hebben gehad van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het zorgkantoor het griffierecht van € 51,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.