Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 24 februari 2026

Zaakgegevens

Op 24 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
24 februari 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
25/2603
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21785
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

gehandicaptenparkeerkaart

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/2603

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. M.H.F. Bucx).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser tot het verlenen van een bewonersparkeervergunning gehandicapten (BVG) afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit (kennelijk) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn partner. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 9 december 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een BVG voor een leaseauto van Welzorg Auto op Maat.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag voor een BVG afgewezen op de grond dat eiser niet beschikt over een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurder.

2. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het college ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt van het college dat eiser niet in aanmerking komt voor een BVG, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.2.2. Regeling Parkeerregulering en parkeerbelasting 2022 Den Haag (de Regeling). Eiser dient namelijk houder of berijder te zijn van een auto en in het bezit te zijn van een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder (GPK-B). Eiser is niet de bestuurder. Het college heeft de aanvraag getoetst aan zijn eigen regelgeving en is van mening dat er geen sprake is van discriminatie. Het college is verder van mening dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt, omdat het niet verlenen van de vergunning niet onbillijk is en voortvloeit uit het beleid van het college de gemeente (de rechtbank begrijpt dat het college zich daarbij beroept op de Beleidsregels gehandicaptenparkeren 2012; het Beleid).

3. Eiser voert aan dat het college een discriminerend beleid voert ten aanzien van het toekennen van een BVG, omdat een gehandicapte passagier geen recht heeft op een vergunning, maar een gehandicapte bestuurder wel. Eiser heeft een rolstoelbus met achterklep waarin hij door zijn partner wordt vervoerd. Eiser heeft een hoge dwarslaesie met een beperkte arm/handfunctie, waardoor hij geen vergunning als bestuurder kan aanvragen. Eiser beschikt wel over een GPK-P en hij heeft een individuele gehandicaptenparkeerplaats voor zijn deur.

3.1.

In verweer stelt het college dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het niet om gelijke gevallen gaat. Inwoners met een GPK-B hebben een auto op naam en besturen die zelf. Zij hebben de auto altijd tot hun beschikking. Het is voor hen noodzakelijk om dicht bij hun bestemming te parkeren, omdat zij zelf het voertuig besturen, parkeren en naar de parkeerautomaat moeten lopen om te kunnen betalen. Inwoners met een GPK-P zijn daartegen afhankelijk van de bestuurder. Zo kan de bestuurder de auto parkeren, de passagier helpen bij het uitstappen en begeleiden naar hun noodzakelijke bestemming. Hierdoor is de noodzaak voor een BVG niet aanwezig, aldus het college. Daarnaast is het beleid van het college erop gericht om de parkeerdruk te verminderen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.

5.1.

Ingevolge artikel 4.2.2, eerste lid, van de Regeling, kan het college een parkeervergunning verlenen aan een bewoner die:

a. houder of berijder van een motorvoertuig is; en

b. houder is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser woonachtig is in de gemeente Den Haag, dat hij houder is van de auto en dat hij geen geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders heeft. Dat betekent dat eiser slechts aan twee van de drie voorwaarden om in aanmerking te komen voor een BVG in de zin van de Regeling voldoet. In geschil is enkel of in het geval van eiser van deze voorwaarden had moeten worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule en/of het gelijkheidsbeginsel.

5.3.

Bij toetsing aan de hardheidsclausule komt aan het college beoordelings- en beleidsvrijheid toe. De rechtbank toetst een beroep op de hardheidsclausule daarom terughoudend. Naar het oordeel van de rechtbank onderscheidt de situatie van eiser zich niet in bijzondere mate van de situatie van anderen die hun auto nodig hebben. Relevant hierbij is dat eiser ook zonder een BVG zijn voertuig in de buurt kan parkeren. Dat hij hiervoor kosten moet maken maakt niet dat het college de vergunning in het geval van eiser had moeten toekennen.

5.4.

Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de door eiser aangevoerde redenen geen omstandigheden gelegen zijn als bedoeld in artikel 8.1 van het Beleid. Daarbij heeft het college mogen meewegen dat het beleid van erop is gericht om de parkeerdruk te verminderen.

5.5.

Voorts ligt het op de weg van eiser om een door hem gedaan beroep op het gelijkheidsbeginsel concreet te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het verschil tussen een GPK-P en GPK-B is dat eiser de auto zelf niet hoeft te parkeren en dat hij afhankelijk is van de bestuurder. De bestuurder kan eiser bijvoorbeeld ook af zetten bij de deur en dan de auto parkeren.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.