Socialezekerheidsrecht
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang.
Rechtbank Den Haag, 3 augustus 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:7594 · Rechtbank Den Haag · 3 augustus 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2020-7594
Zaakgegevens
Op 3 augustus 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2020
- Datum publicatie
- 10 augustus 2020
- Zaaknummer
- 20/3698
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7594
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/3698
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2020 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder(gemachtigde: L. de Wit).
Procesverloop
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de tijdelijke stopzetting van de uitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter kan ingevolge 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in verzoekers geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Dat is het geval wanneer sprake is van een financiële noodsituatie.
4. Daarvan is in verzoekers geval echter geen sprake. Verzoeker is opgekomen tegen de tijdelijke stopzetting van zijn uitkering in mei 2020. Uit het dossier komt naar voren dat verweerder de betaling van verzoekers uitkering inmiddels weer heeft hervat. Dat betekent dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Zijn betoog dat verweerder hem in de maand juni 2020 te weinig heeft uitbetaald maakt dat niet anders. In die maand heeft verweerder hem blijkens het door verzoeker overgelegde bankafschrift toch nog een bedrag van € 623,50 overgemaakt. Dat duidt er in ieder geval niet op dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert. Nu een spoedeisend belang ontbreekt, moet het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is op 3 augustus 2020 gedaan door mr. O.M. Harms, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
de griffier is verhinderd deze uitspraak
mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.