Socialezekerheidsrecht
Wmo/maatschappelijke opvang/verzoeker is zelfredzaam/ slechts sprake van huisvestingsprobleem
Rechtbank Den Haag, 3 januari 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:15 · Rechtbank Den Haag · 3 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2022-15
Zaakgegevens
Op 3 januari 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 januari 2022
- Datum publicatie
- 30 december 2021
- Zaaknummer
- 21_8001
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wmo/maatschappelijke opvang/verzoeker is zelfredzaam/ slechts sprake van huisvestingsprobleem
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/8001
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 januari 2022 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K. Jevtovic),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: J.A. Bogaards).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2021 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoeker om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting schriftelijk af te doen.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu verzoeker met zijn vrouw en kind op 13 december 2021 de tijdelijke opvang heeft moeten verlaten.
4. Uit het dossier is de voorzieningenrechter het volgende gebleken.
Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2019 is hij vanuit Marokko met zijn nieuwe (destijds zwangere) partner naar Nederland gekomen. Hij had op dat moment geen woning in Nederland. Via zijn eigen netwerk heeft hij via een kennis (mevrouw [A] ) met ingang van augustus 2020 een woning gehuurd. Deze kennis huurde de woning van de woningbouwvereniging Haagwonen en verzoeker (onder)huurde de woning weer van die kennis. De huurovereenkomst tussen [A] en de woningbouwvereniging is per 3 november 2020 ontbonden. Bij vonnis van 21 juli 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er geen onderhuurovereenkomst tot stand is gekomen tussen Houimli en verzoeker en dat verzoeker daarom zonder recht of titel in de woning heeft verbleven. Verzoeker is op 29 november 2021 de woning uitgezet. Op dezelfde dag heeft verzoeker zich gemeld bij verweerder met het verzoek om opvang in het kader van de Wmo. Om verzoeker de gelegenheid te geven zijn sociale netwerk in te schakelen heeft verweerder aan verzoeker een kortdurende, buitenwettelijke, opvang aangeboden voor de periode van 29 november 2021 tot en met 13 december 2021.
5. Bij besluit van 29 november 2021 heeft verweerder het verzoek om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker alleen een woonprobleem heeft en geen vragen in het kader van maatschappelijke ondersteuning. Niet is gebleken dat verzoeker onvoldoende zelfredzaam is en dat hij zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving.
6. Verzoeker stelt dat hij op geen enkele wijze een ander verblijf kan betalen en dat hij zich daarom zal moeten wenden tot het daklozenloket. Zijn vrouw moet over een aantal maanden opnieuw bevallen en redelijkerwijs kan niet verwacht worden dat zij in de daklozenopvang dient te bevallen. De stress die met dit alles gepaard gaat is enorm en slecht voor de gezondheid van zijn vrouw. Naar de mening van verzoeker is het van belang dat hij, in afwachting van de procedure bij de rechtbank omtrent urgentie, hij opvang heeft om met zijn gezin te kunnen slapen. Er is volgens verzoeker sprake van een levensontwrichtende situatie die alleen kan worden opgelost met zelfstandige woonruimte op korte termijn.
Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
Centraal staat de vraag of verzoeker in staat moet worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet verzoeker zelfredzaam worden geacht. Hij overweegt daartoe dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft, dat zijn vrouw een verblijfsvergunning heeft, dat hij na zijn komst naar Nederland zelf onderdak heeft geregeld en dat hij een WIA-uitkering inclusief toeslagen ontvangt. Verder is niet aannemelijk geworden dat verzoeker, buiten het vinden van een woning, hulp nodig heeft. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat verzoeker uitsluitend een huisvestingsprobleem heeft. De Wmo is echter niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. De omstandigheid dat de vrouw van verzoeker zwanger is maakt dat niet anders. De vrouw van verzoeker kan rond de bevalling opgenomen in een geboortehotel. Bovendien beschikt verzoeker over een sociaal netwerk. Zijn familie en vrienden wonen in Den Haag, zodat de vrouw van verzoeker na de bevalling kan worden opgevangen in dat sociale netwerk van verzoeker.
Nu ervan moet worden uitgegaan dat verzoeker zelfredzaam is moet hij geacht worden in staat te zijn om samen met zijn partner vorm te geven aan het gezinsleven en zorg te dragen voor het kind. Uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind volgt niet dat in zodanig geval het ontbreken van huisvesting verweerder ertoe zou nopen om daarin te voorzien.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft beslist dat verzoeker niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Daarom bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2022.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: