Socialezekerheidsrecht
Afwijzing vovo. Geen sprake van spoedeisend belang. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat een…
Rechtbank Den Haag, 24 oktober 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:17423 · Rechtbank Den Haag · 24 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2023-17423
Zaakgegevens
Op 24 oktober 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2023
- Datum publicatie
- 14 november 2023
- Zaaknummer
- SGR 23/4371
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:17423
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing vovo. Geen sprake van spoedeisend belang. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat een verzoek om schadevergoeding niet kan leiden tot het toewijzen van een verzoek om een voorlopige voorziening, omdat het toekennen van een schadevergoeding geen voorlopige maatregel kan zijn.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4371
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2023 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: drs. P.F.G. Hermans).
Procesverloop
Verzoeker heeft bij verweerder verzocht om een schadevergoeding van € 250.000,-. In het besluit van 23 juni 2023 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ziet op het veroordelen van verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000.000,-.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker en verweerder hebben aanvullende stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan ten aanzien van het betalen van griffierecht in deze procedure. De rechtbank stelt verzoeker in deze procedure vrij van het betalen van griffierecht.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker heeft als argument voor het treffen van de voorlopige voorziening aangegeven: “Graag rustig er de tijd voor nemen”. De voorzieningenrechter constateert daarom dat er geen spoedeisend belang is.
3. Ten overvloede zal de voorzieningenrechter het verzoek bespreken alsof er wel sprake zou zijn van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt dat een verzoek om schadevergoeding niet kan leiden tot het toewijzen van een verzoek om een voorlopige voorziening, omdat het toekennen van een schadevergoeding geen voorlopige maatregel kan zijn, terwijl in een procedure als deze ook geen plaats is voor het leveren van bewijs door verzoeker. Overigens is het de voorzieningenrechter in het geheel niet gebleken dat er sprake zou kunnen zijn van schade voor het verzochte bedrag.
4. Op de zitting is de situatie van verzoeker besproken en daarbij is ook het besluit van 2 mei 2016 aan de orde gekomen. Besproken is dat uit het dossier blijkt dat tegen dat besluit geen bezwaar is gemaakt en op de zitting heeft verzoeker dat ook toegegeven. Op de zitting is ook besproken of het verzoek om een voorlopige voorziening een aanvraag om herbeoordeling van het arbeidsvermogen zou kunnen zijn. Verzoeker heeft verteld dat hij denkt dat hij op dit moment arbeidsvermogen heeft, omdat hij – naar eigen zeggen – weer volledig kan werken. Verzoeker heeft aangegeven dat hij geen behoefte heeft aan een herbeoordeling en ook niet aan schuldhulpverlening. Uiteindelijk heeft verzoeker op de zitting gezegd dat hij niet bij verweerder of de rechtbank moet zijn, maar bij zijn voormalige bewindvoerders.
5. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2023.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.