Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Uitspraak pp grond van artikel 8:83 Awb.
Rechtbank Den Haag, 20 december 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:21720 · Rechtbank Den Haag · 20 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2024-21720
Zaakgegevens
Op 20 december 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 december 2024
- Datum publicatie
- 20 december 2024
- Zaaknummer
- 24/9462
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21720
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Uitspraak pp grond van artikel 8:83 Awb.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9462
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college.
Inleiding
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 oktober 2024, waarbij het college heeft besloten om met ingang van 1 januari 2025 elke maand aan verzoeker vakantietoeslag uit te betalen en 5 % van zijn uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) te reserveren voor de afbetaling van zijn schuld aan het college.
Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter kan ingevolge 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in verzoekers geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Dat is het geval wanneer sprake is van een financiële noodsituatie.
4. Daarvan is in verzoekers geval geen sprake. Verzoeker krijgt een uitkering op grond van de Pw. Hij beschikt in verband met de inhouding uit hoofde van een op zijn uitkering gelegd derdenbeslag en de reservering van het vakantiegeld tot 1 januari 2025 maandelijks over 90 % van zijn norm. Het college houdt maandelijks 5 % van verzoekers bijstandsuitkering in om de schuld die hij heeft aan het college af te betalen. Het college reserveert ook elke maand 5 % van de bijstandsuitkering als vakantiegeld en betaalt dat jaarlijks in één keer uit. Omdat verzoeker tot 1 januari 2025 over 90 % van de op hem toepasselijke norm kan beschikken, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van spoedeisend belang. De hoogte van het percentage waarover verzoeker tot 1 januari 2024 kan beschikken is zodanig dat niet kan worden gesproken van een financiële noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden dat verzoeker de uitkomst van zijn bezwaar niet af zou kunnen wachten. Bovendien heeft hij vanaf 1 januari 2025 de beschikking over 95 % van zijn norm.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2024.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: