Socialezekerheidsrecht
Vovo afwijzing, geen spoedeisend belang.
Rechtbank Den Haag, 17 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:2421 · Rechtbank Den Haag · 17 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2025-2421
Zaakgegevens
Op 17 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 februari 2025
- Datum publicatie
- 19 februari 2025
- Zaaknummer
- SGR 25/286
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2421
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo afwijzing, geen spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/286
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Verweerder heeft in het besluit van 17 december 2024 bepaald dat verzoeker geen nieuwe WW-uitkering krijgt omdat hij niet opnieuw voldoet aan de wekeneis. In het besluit van 20 december 2024 heeft verweerder bepaald dat verzoeker geen WW-uitkering kan krijgen omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij door zijn werkgever is misleid en zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in goed vertrouwen dat hij aansluitend een nieuw contract als zzp’er zou krijgen. De werkgever is echter die toezegging niet nagekomen. Hij heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening omdat hij geen enkele vorm van inkomsten heeft, maar wel kostwinner is en maandelijkse lasten moet voldoen. Verzoeker zal een bijstandsuitkering aanvragen maar de verwachting is dat deze te laag is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.
4. De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht om (zo mogelijk) met stukken te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisend belang. Hierbij is ook gevraagd om te onderbouwen dat een bijstandsuitkering naar verwachting te laag is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. In zijn reactie hierop geeft verzoeker aan dat zijn bijstandsaanvraag door de gemeente (mondeling) is afgewezen omdat hij nog enige spaarreserves bezit. Hij geeft aan dat hij geen inkomsten heeft, maar dat hij wel twee kinderen moet onderhouden.
5. Verweerder schrijft in het verweerschrift dat verzoeker zelf aangeeft dat hij nog enige spaarreserves bezit, waardoor hij niet in aanmerking zou komen voor een bijstandsuitkering. Van een acute financiële noodsituatie is daarom volgens verweerder geen sprake. Verzoeker heeft zijn stellingen bovendien niet onderbouwd met nadere stukken. Verder blijkt uit de polisadministratie dat de (enige) medebewoner van verzoeker een uitkering van verweerder ontvangt.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, ook na daartoe door de voorzieningenrechter te zijn verzocht, zijn stellingen in het geheel niet heeft onderbouwd met stukken, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen sprake is van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker aangeeft dat hij nog enige spaarreserves bezit en dat uit de polisadministratie volgt dat de medebewoner van verzoeker een uitkering van verweerder ontvangt.
Conclusie en gevolgen
7. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2025.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: