Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening afgewezen. Geen sprake van acute financiele nood.
Rechtbank Den Haag, 14 april 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:5954 · Rechtbank Den Haag · 14 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2025-5954
Zaakgegevens
Op 14 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 april 2025
- Datum publicatie
- 10 april 2025
- Zaaknummer
- 25/2100
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5954
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening afgewezen. Geen sprake van acute financiele nood.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2100
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.M.G. Hulsman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder
(gemachtigde: N. Khadr)
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de IOAW-uitkering van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het spoedeisend belang ontbreekt en geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 heeft verweerder de IOAW-uitkering van verzoekster per 1 december 2024 ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat er geen sprake is van acute financiële nood omdat ze een erfenis heeft ontvangen. Zij stelt dat er toch sprake is van een spoedeisend belang. Door de intrekking van de IOAW-uitkering heeft ze geen inkomsten meer en moet ze interen op haar vermogen. De onzekerheid is niet goed voor haar gezondheid.
5. In de door verzoekster genoemde omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat de situatie van verzoekster zodanig spoedeisend is dat de beslissing op het bezwaarschrift niet afgewacht kan worden.
6. Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarvan is geen sprake. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat verzoekster niet aangemerkt kan worden als een werkloze werknemer volgens de IOAW. Het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (Ww) is nooit beoordeeld. Verzoekster betwist dit weliswaar omdat zij vindt dat zij wel recht op een Ww gehad zou hebben, feit is dat dit niet is getoetst.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: