Socialezekerheidsrecht

PKV uitspraak na intrekking. Niet-ontvankelijk. Niet gelijktijdig om gevraagd bij intrekking.

Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026

Zaakgegevens

Op 9 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 juli 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/3979
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18532
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PKV uitspraak na intrekking. Niet-ontvankelijk. Niet gelijktijdig om gevraagd bij intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/3979


uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 in de zaak tussen


[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),

en

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats], het college

(gemachtigde: A. Salman-Göleli).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan na de intrekking van haar verzoek tegen het besluit van het college van 28 april 2026. Tegen het besluit van 28 april 2026, waarbij haar aanvraag om een bijstandsuitkering per 3 februari 2026 is afgewezen, heeft zij bezwaar gemaakt.

1.1.

Verzoekster heeft het verzoek ingetrokken omdat het college heeft laten weten dat zij een voorschot krijgt in het kader van haar nieuwe bijstandsaanvraag van 29 april 2026.

1.2.

De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.1.

Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, en artikel 8:75a, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het verzoek omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

2.2.

De gemachtigde van verzoekster heeft het verzoek per e-mailbericht van 2 juni 2026 ingetrokken. Daarbij is niet verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten. Pas op 5 juni 2026 is per post een op 4 juni 2026 ondertekende intrekkingsverklaring ontvangen met een ingevuld formulier proceskosten. Op de intrekkingsverklaring staat aangekruist dat de gemachtigde verzoekt om het college te veroordelen in de proceskosten. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling in de proceskosten niet gelijktijdig met de intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan. Het verzoek van verzoekster is daarom niet-ontvankelijk.

2.3.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat ook als verzoekster wel gelijktijdig met de intrekking had verzocht om veroordeling in de proceskosten, dit niet zou hebben geleid tot inwilliging van dat verzoek. Van tegemoetkomen is immers geen sprake nu er bij besluit van 1 juni 2026 een voorschot is verleend naar aanleiding van een latere aanvraag dan die waarop bij het bestreden besluit was beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om vergoeding van de proceskosten niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).