Socialezekerheidsrecht

Griffierecht niet betaald, verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag, 4 juni 2026

Zaakgegevens

Op 4 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
4 juni 2026
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/2617
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20307
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Griffierecht niet betaald, verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2617


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter


Griffierecht

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54 ,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

2.1.

De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 maart 2026 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 31 maart 2026 om 16:51 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

2.2.

Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster ook niet heeft gereageerd op de ontvangstbevestiging van het verzoek om een voorlopige voorziening, die haar op 26 maart 2026 per brief is gestuurd. Daarin is haar gevraagd om nadere informatie te overleggen omdat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden. Bij brief van 9 april 2026 is onder verwijzing naar de brief van 26 maart 2026 een termijn van een week gegeven om schriftelijk te reageren. Ook hierop heeft zij niet gereageerd. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de voorwaarden.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is gelet op het bovenstaande kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.