Socialezekerheidsrecht

Voorlopige voorziening. Verzoek afgewezen. Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering omdat onvoldoende…

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4393
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21157
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Verzoek afgewezen. Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering omdat onvoldoende inlichtingen zijn verstrekt. Recht op bijstand is niet vast te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/4393

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] (verzoekster) en [verzoeker] (verzoeker), uit [woonplaats] , gezamenlijk: verzoekers

(gemachtigde: mr. L.H.E.M. Berendse),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekers hebben op 9 februari 2026 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 afgewezen. Verzoekers hebben onvoldoende inlichtingen gegeven waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. J. Koenen als waarnemer van de gemachtigde van verzoekers, [naam 1] (bewindvoerder van verzoekster), [naam 2] en [naam 3] (begeleiders van verzoekster) en de gemachtigde van het college.


Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift

3.1.

In dit kader hebben verzoekers aangevoerd dat zij geen inkomen of spaargeld hebben. Zij kunnen nog net in hun primaire levensbehoeftes voorzien, maar de maandelijkse lasten, zoals de hypotheek, kunnen ze niet meer dragen. Dit wordt ook bevestigd door de bewindvoerder van verzoekster. Hierdoor bestaat het risico dat zij hun woning verliezen.

3.2.

Op grond hiervan ziet de voorzieningenrechter aanleiding om uit te gaan van een spoedeisend belang.

Inhoudelijke beoordeling

4. De voorzieningenrechter zal het verzoek inhoudelijk behandelen, maar wijst er op dat haar oordeel een voorlopig karakter heeft en dat de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet is gebonden aan dat oordeel.

4.1.

Verzoekers voeren aan dat het college over alle relevante feiten en omstandigheden beschikt. Dit blijkt uit de overgelegde stukken. Verzoekers hebben het schuldenoverzicht van Aegon, de beschikking onderbewindstelling en de gevraagde bankafschriften overgelegd. Hiermee hebben zij alle gegevens verstrekt die het college heeft opgevraagd en dus hebben zij aan hun inlichtingenverplichting voldaan.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn of haar woon-, leef-, en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de aanvraag. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Bij brief van 12 februari 2026 heeft het college verzoekers verzocht om – onder andere – alle bankafschriften van al hun betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 november 2025 tot en met 12 februari 2026. Verzoekers hebben de bankafschriften overgelegd van één zakelijke rekening en van de beheerrekening. Uit de overgelegde bankafschriften is gebleken dat verzoekers beschikken over meerdere bankrekeningen. Verzoekster heeft verklaard dat zij geen toegang meer heeft tot de rekening van verzoeker en dat haar persoonlijke rekening is opgeheven vanwege de maandelijkse pakketkosten. Deze verklaringen zijn niet onderbouwd met bewijsstukken. Bovendien komen deze verklaringen niet overeen met de bij- en afschrijvingen op de overgelegde bankafschriften, aangezien er ook recentelijk nog overboekingen zijn gedaan naar en van privérekeningen en/of zakelijke rekeningen. Daarnaast zijn er stortingen op de zakelijke rekeningen gedaan, terwijl het bedrijf van verzoeker al enige tijd was uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

4.4.

Het college heeft terecht overwogen dat deze omstandigheden vragen oproepen. Verzoekers zijn herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende, noodzakelijke bewijsstukken over te leggen, maar zijn hierin niet geslaagd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers redelijkerwijs in staat zijn om (in ieder geval) de beschikking te krijgen over de hierboven genoemde gegevens. De bewindvoerder van verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat één bankrekeningen waar het college om heeft verzocht de zakelijke rekening van verzoeksters vorige bewindvoerder betref. Daarom kan zij deze niet overleggen. Dit neemt niet weg dat er nog steeds een hoop andere noodzakelijke gegevens ontbreken. De voorzieningenrechter benadrukt hierbij dat voor beoordeling van het recht op bijstand ook de financiële gegevens van verzoeker noodzakelijk zijn.

4.5.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er op dit moment nog onvoldoende objectieve aanknopingspunten zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanvraag om bijstand dan ook terecht heeft afgewezen, omdat verzoekers niet alle gevraagde stukken hebben overgelegd die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de financiële situatie van verzoekers en daarmee het recht op bijstand.

4.6.

Gelet op de thans voorhanden zijnde informatie is de verwachting dat het bestreden besluit in bezwaar zal standhouden. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen. Verzoekers hebben op 13 juli 2026 om 16:01 uur bij de rechtbank aanvullende stukken ingediend, waarvan zij stellen daarmee een groot deel van de gegevens die het college heeft opgevraagd alsnog te hebben ingeleverd. Echter zijn deze stukken te laat ingediend om te worden betrokken bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Wel zal het college de aanvullende gegevens moeten betrekken bij beoordeling van de beslissing op bezwaar en bij de nieuwe aanvraag van 15 mei 2026.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek zal gezien het voorgaande worden afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

Griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.