Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 13 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21748 · Rechtbank Den Haag · 13 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-21748
Zaakgegevens
Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26/2371 en 26/2372
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21748
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
voorlopige voorziening
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/2371 en SGR 26/2372
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: J.A. Bogaards).
Procesverloop
SGR 26/2371
Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit I) heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker opgeschort met ingang van 1 februari 2026.
SGR 26/2372
Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit II) heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken per 1 februari 2026.
In beide zaken
Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten I en II bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij al enige tijd geen inkomsten heeft. De strekking van het verzoek is dat de uitkering wordt hervat.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in beide samenhangende zaken heeft plaatsgevonden op
29 april 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk in de Franse taal, H. van der Boom. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan worden aangenomen als door het bestreden besluit een betrokkene schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Dat van een dergelijke situatie sprake is, volgt niet uit het verzoek om een voorlopige voorziening en is ook uit de overgelegde gedingstukken niet gebleken.
3. Met een brief van 21 april 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde van verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader te onderbouwen.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken van een acute financiële noodsituatie zoals hiervoor bedoeld. Van de gemachtigde van verzoeker is geen nadere onderbouwing van het spoedeisend belang ontvangen. Ter zitting is enkel naar voren gebracht dat verzoeker schulden heeft. Dit is echter niet met stukken ondersteund. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bezwaarprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.
5. Omdat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening onvoldoende is onderbouwd, kan een dergelijke voorziening alleen worden getroffen als er concrete aanknopingspunten zijn om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat de bestreden besluiten I en II geen stand zullen houden. Verweerder heeft niet ten onrechte bij brief van 16 januari 2026 enige nadere informatie van verzoeker gevraagd. Die informatie is echter niet gegeven, ook niet na de bestreden besluiten I en II, en ook niet in het kader van een onlangs ingediende nieuwe bijstandsaanvraag. Zonder die (basale) informatie kan verweerder niet beoordelen of verzoeker nog recht heeft op bijstand.
6.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat de bestreden besluiten I en II ook niet evident onrechtmatig zijn. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.