Socialezekerheidsrecht
vovo kennelijk niet-ontvankelijk. Reeds beslissing op bezwaar genomen en geen beroep ingesteld in de…
Rechtbank Den Haag, 3 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:7143 · Rechtbank Den Haag · 3 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-7143
Zaakgegevens
Op 3 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 april 2026
- Datum publicatie
- 30 maart 2026
- Zaaknummer
- 25/6649
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7143
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vovo kennelijk niet-ontvankelijk. Reeds beslissing op bezwaar genomen en geen beroep ingesteld in de beroepstermijn.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6649
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het Uwv heeft de Zw-aanvraag met het besluit van 25 september 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit. Het Uwv heeft bij e-mailbericht van 6 januari 2026 zich afgemeld voor de geplande zitting van 12 januari 2026 en daarbij meegedeeld dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen op 30 december 2025, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard.
De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding daarvan partijen bij brief van 6 januari 2026 meegedeeld dat de geplande zitting op 12 januari 2026 is aangehouden, Verder is verzoeker gewezen op de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de beslissing op bezwaar van 30 december 2025 en is daarbij vermeld dat de beroepstermijn zes weken is. Als verzoeker na het instellen van beroep zijn verzoek wil handhaven dan kan het verzoek behandeld worden in samenhang met zijn beroep.
Verzoeker heeft geen beroep ingesteld binnen de beroepstermijn. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaarprocedure meer loopt en dat er ook geen beroepsprocedure is. Dit betekent dat het verzoek van verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:81 van de Awb.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzoek wordt dus niet inhoudelijk beoordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: