Socialezekerheidsrecht
Vovo. Art. 8:83, derde lid, van de Awb. Aanvraag om maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Onvoldoende…
Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:9376 · Rechtbank Den Haag · 13 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-9376
Zaakgegevens
Op 13 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- 26/1614
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9376
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo. Art. 8:83, derde lid, van de Awb. Aanvraag om maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Onvoldoende spoedeisend belang, geen dreigende onomkeerbare situatie. Afwijzing verzoek.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1614
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: J. Ameziane).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker naar aanleiding van de beslissing op de aanvraag van verzoeker om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Voor zover een inhoudelijk oordeel wordt gegeven over de zaak heeft dat oordeel een voorlopig karakter en bindt het de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker met het besluit van
11 september 2025 ingewilligd, en een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren met de intensiteit plus, verzorgd door [bedrijfsnaam] BV voor de periode 1 oktober 2025 tot en met 30 september 2027. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er in dit geval geen enkel spoedeisend belang is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de geplande telefonische hoorzitting met verweerder van 26 februari 2026 te schorsen en te bepalen dat er een fysieke hoorzitting dient plaats te vinden, nadat verweerder een schriftelijk besluit heeft genomen naar aanleiding van zijn verzoek van 14 januari 2026, inzake zijn maatwerk-ondersteuningsplan, en nadat hij juridische ondersteuning of een vertrouwenspersoon heeft kunnen regelen. Met zijn email van 25 februari 2026 heeft verzoeker aangegeven dat de hoorzitting van 26 februari 2026 is uitgesteld, dat er op zijn verzoek een fysieke hoorzitting zal plaatsvinden en dat hij vier weken de tijd heeft gekregen om ondersteuning te regelen. Verzoeker heeft voorts aangegeven dat de directe spoed is komen te vervallen. Hij heeft het verzoek evenwel niet ingetrokken, maar gevraagd om aanhouding.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze zaak echter geen sprake van een voldoende spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft op zijn aanvraag een maatwerkvoorziening gekregen in de vorm van ondersteuning bij het sociaal en persoonlijk functioneren met de intensiteit plus. Vooralsnog zijn er geen indicaties dat deze maatwerkvoorziening voor verzoeker beslist ontoereikend is. Ook al zou verzoeker meer uren ondersteuning nodig hebben, zoals hij stelt, dan is daarmee nog niet gezegd dat de situatie op dit moment dusdanig nijpend is dat de beslissing in de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Niet gebleken is dat er een onomkeerbare situatie dreigt voor verzoeker.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: