Socialezekerheidsrecht

Pkv-uitspraak na intrekking vovo. Pkv afgewezen. Verweerder is niet tegemoetgekomen aan het verzoek om vovo.

Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026

Zaakgegevens

Op 18 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
18 maart 2026
Datum publicatie
20 april 2026
Zaaknummer
26/324
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:9488
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Pkv-uitspraak na intrekking vovo. Pkv afgewezen. Verweerder is niet tegemoetgekomen aan het verzoek om vovo.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/324


uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 maart 2026 op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker


en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het Uwv van 9 december 2025. Hij heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 1 februari 2026 naar eigen zeggen ingetrokken omdat het Uwv hangende de procedure alsnog is overgegaan tot behandeling van zijn bezwaar. Bij de intrekking heeft verzoeker verzocht om het Uw met toepassing van artikel 8:75a van de Awb te veroordelen in de terugbetaling van het griffierecht.

2. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling

3. De voorzieningenrechter zal het verzoek om proceskostenveroordeling afwijzen. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.

4.1

Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. In deze zaak is geen sprake van een beroep maar van een verzoek om een voorlopige voorziening. Dan is artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing.

4.2

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in een voorlopige voorzieningsprocedure moet de vraag of sprake is van tegemoetkomen worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaarprocedure. Van tegemoetkomen is enkel sprake als het bestuursorgaan de uitvoering van het primaire besluit opschort dan wel de gevraagde voorlopige maatregel treft waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen.

5. Met het in behandeling nemen van verzoekers bezwaar is het Uwv niet tegemoetgekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening als hiervoor in 4.2 bedoeld. Het verzoek om voorlopige voorziening strekte tot vaststelling dat het besluit van 9 december 2025 pas op 12 januari 2026 rechtsgeldig is bekendgemaakt en dat de bezwaartermijn van zes weken pas vanaf dat moment is aangevangen, althans een voorziening te treffen die dit rechtsgevolg veiligstelt. Nog daargelaten dat hetgeen waar verzoeker om heeft verzocht geen voorziening is die voorlopig van aard is maar een rechtsvaststelling die zich niet leent voor een voorlopige voorzieningenprocedure, is er dus niet aan de eisen van art. 8:75a van de Awb voldaan.

6. Het verzoek om een veroordeling in de proceskosten zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in verband met artikel 8:84, vijfde lid van de Awb geen verzet of hoger beroep open. Dit betekent dat de zaak tot een definitief einde is gekomen.

Dit volgt uit artikel 8:83, derde lid, van de Awb. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. ABRvS (vz.) 7 november 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA8952, JB 2000/349; ABRvS 24 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7413; CRvB 25 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7670, RSV 2008/141; CRvB (vzr.) 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263