Vreemdelingenrecht
bestuurlijke dwangsom. Tijdelijke wet opschorting dwangsom.
Rechtbank Den Haag, 29 maart 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:4212 · Rechtbank Den Haag · 29 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2023-4212
Zaakgegevens
Op 29 maart 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 maart 2023
- Datum publicatie
- 29 maart 2023
- Zaaknummer
- NL22.19080
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4212
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bestuurlijke dwangsom. Tijdelijke wet opschorting dwangsom.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19080
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
[V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 2 maart 2022. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De staatssecretaris heeft de asielaanvraag op 21 februari 2023 ingewilligd op
grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voor de duur van vijf jaar. Eiser heeft aangegeven zijn beroep te willen handhaven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen op de zitting.
Overwegingen
Heeft eiser nog een belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen?
2. De staatssecretaris heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiser genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit volgt uit artikel 6:20 derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser kan zich niet met dit besluit verenigen, omdat in het besluit geen vaststelling van de bestuurlijke dwangsom is opgenomen.
Had de staatssecretaris de bestuurlijke dwangsom moeten vaststellen?
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft zich in twee uitspraken van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) uitgelaten over de verbindendheid van artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet). Dat artikel sluit de mogelijkheid uit dat in de asielprocedure de staatssecretaris een dwangsom verbeurt wanneer hij na ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag (de bestuurlijke dwangsom). In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2022:3352 heeft de Afdeling geoordeeld dat het uitsluiten van het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom niet in strijd is met het Unierecht. Dit betekent dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeurt als hij niet binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit neemt op de asielaanvraag van de vreemdeling.
Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij geen bestuurlijke dwangsom aan eiser is verschuldigd.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2023 ongegrond. Eiser krijgt wel een vergoeding voor zijn proceskosten, omdat de staatssecretaris niet op tijd heeft beslist. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2023, ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.