Vreemdelingenrecht

verzet, minister is opposant, hoogte dwangsom bij opvolgende BNT, nevendictum.

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.52339
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16632
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

verzet, minister is opposant, hoogte dwangsom bij opvolgende BNT, nevendictum.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52339 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van


de minister van Asiel en Migratie, opposant,

(gemachtigde: mr. X.J. Polak).

tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2026 in het geding tussen

[eiser] , eiser in beroep (eiser),

V-nummer: [V-nummer] .

(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan)

en

opposant, tevens verweerder in beroep,

Feiten en overwegingen

1. Opposant heeft verzet gedaan tegen de vereenvoudigde afdoening van het beroep van eiser bij uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2026.

2. De rechtbank heeft bij genoemde uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser in beroep gegrond verklaard en opposant opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200 per dag waarmee bedoelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom (van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000) vooralsnog een onvoldoende prikkel was gebleken en dat uit het verweerschrift volgde dat verweerder er op voorhand van uitgaat dat hij de uitspraak niet na zal leven.

3. Het verzet richt zich tegen uitsluitend tegen de hoogte van de aan de uitspraak verbonden dwangsom. Opposant komt niet op tegen de kennelijke gegrondverklaring van het beroep. Opposant voert aan dat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd waarom aan de uitspraak een verhoogde rechterlijke dwangsom van €200,- per dag met een maximum van €15.000 is verbonden. In het bijzonder kan volgens opposant niet worden gezegd dat hij weigerachtig is om binnen een door de rechter gestelde termijn te beslissen. De rechtbank volgt opposant hierin. Weliswaar heeft opposant geen gevolg gegeven aan een eerdere uitspraak van de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van de vreemdeling, maar daaruit kan niet in algemene zin worden afgeleid dat bij een opvolgend beroep een verhoogde dwangsom noodzakelijk is als prikkel om de naleving van de uitspraak op dat beroep te verzekeren. Verder is in het verweerschrift weliswaar aangekondigd dat volgens het ‘fifo’-principe de aanvraag naar verwachting pas in september 2026 in behandeling zal worden genomen, maar tevens is toegezegd dat opposant zich blijft inspannen om ook de aanvraag sneller in behandeling te kunnen nemen. Alvorens te kunnen concluderen tot weigerachtigheid had de rechtbank daarom opposant moeten horen.

4. Het verzet is daarom terecht gedaan. De rechtbank zal de aangevallen uitspraak vervallen verklaren, voor zover daarin is bepaald dat opposant aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de aan de uitspraak verbonden termijn voor het bekendmaken van een besluit op de aanvraag overschrijdt.

De rechtbank ziet aanleiding om in plaats hiervan aan te sluiten bij de meest recente aanbeveling voor rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken, zoals bekendgemaakt op www.rechtspraak.nl. Zij zal bedoelde dwangsom per dag daarom vaststellen op €50.

De maximale dwangsom blijft €15.000. Ook voor het overige blijft de aangevallen uitspraak in stand.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2026 op het beroep van eiser vervallen voor zover daarin is bepaald dat opposant aan de vreemdeling een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij de aan de uitspraak verbonden termijn voor het bekendmaken van een besluit op de aanvraag overschrijdt;

  • bepaalt dat opposant aan de vreemdeling een dwangsom van € 50 (vijftig euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de aan de uitspraak verbonden termijn voor het bekendmaken van een besluit op de aanvraag overschrijdt.

Deze uitspraak is op 18 juni 2026 gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.