Vreemdelingenrecht
AMbV, verlenging overdrachtstermijn, verlengingsbesluit in rechte onaantastbaar
Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31561 · Rechtbank Den Haag · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31561
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.35720
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31561
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AMbV, verlenging overdrachtstermijn, verlengingsbesluit in rechte onaantastbaar
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35720
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. du Long).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Na van beide partijen toestemming te hebben ontvangen om zonder zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank op 4 september 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 14 oktober 2026 geen doorgang vindt en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Soedanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum].
Eiser heeft op 15 april 2025 zijn eerste asielverzoek ingediend. Uit Eu-Vis is gebleken dat Spanje aan eiser een visum heeft verleend, met een geldigheidsduur van 8 april 2024 tot 23 juni 2025. Verweerder heeft Spanje op 2 mei 2025 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, derde of vierde lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje is daar op 28 mei 2025 mee akkoord gegaan op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening. Bij besluit van 1 september 2025 is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Het beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard op 22 oktober 2025 (NL25.41870). Op 17 november 2025 heeft verweerder de overdrachtstermijn vervolgens verlengd tot 18 maanden.
Eiser heeft op 1 april 2026 een tweede asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De Europese Unie heeft daarin gezamenlijke regelgeving vastgesteld over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Overgangsrecht
3. Op 12 juni 2026 is de AMbV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin,
van de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. Op grond van artikel 84, tweede lid, van de AMbV wordt de vraag welke lidstaat
verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om
internationale bescherming bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgestelde
criteria.
Omdat het bestreden besluit is genomen nadat de AMbV in werking is getreden,
heeft verweerder het besluit terecht gebaseerd op de AMbV. Omdat eisers verzoek om internationale bescherming vóór 12 juni 2026 is ingediend, wordt de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht, bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgestelde criteria.
Voor verlenging van de overdrachtstermijn is het moment van belang waarop de feitelijke gebeurtenis die aanleiding is geweest om de termijn te verlengen zich heeft voorgedaan. In het geval van eiser is dit 17 november 2025, daarom zijn de termijnen die in de Dublinverordening zijn neergelegd van toepassing op de verlenging van de overdrachtstermijn.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen. De overdrachtstermijn van zes maanden is voorafgaand aan de inwerkingtreding van de AMbV verlopen en de overdrachtstermijn is ten onrechte verlengd. Niet is in geschil dat op de datum van de verlenging van de overdrachtstermijn (17 november 2025) ten onrechte een Tijdelijk Buiten Bereik van de Autoriteiten (TBBA) melding is gedaan. Het feit dat er na het overdrachtsbesluit nog een TBBA melding is gedaan op 28 november 2025 is niet relevant voor het verlengingsbesluit. Zelfs al zou deze latere TBBA melding meegewogen worden, zou dit niet kunnen leiden tot een verlenging van de overdrachtstermijn. Eiser heeft namelijk op 26 november om 23:45 een bericht ontvangen dat zijn broer is overleden. Een uur later heeft hij de medewerkers van het AZC hiervan op de hoogte gebracht en verteld dat hij naar zijn nichtje ging om haar te vertellen over het overlijden van haar vader. Dit kon pas in de ochtend en eiser wilde er daarna ook voor haar zijn. De opvanglocatie in [naam opvang] was hiervan op de hoogte. Eiser heeft een verklaring van de moeder van zijn nichtje en ook van de manager van de opvanglocatie bijgevoegd. Het is dan ook niet aan eiser toe te rekenen dat hij niet bij de vlucht van 27 november 2025 aanwezig was. Dit betekent dat de overdrachtstermijn op 29 november 2025 is verlopen en dat de herhaalde asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling is genomen.
Beoordeling door de rechtbank
5. In het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn van 17 november 2025 heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden, omdat eiser is vertrokken zonder dat bekend is waarheen. Eiser had één week de tijd om tegen dit besluit in beroep te gaan, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Nadat de termijn om beroep in te stellen tegen dit besluit is verstreken, is dit besluit dan ook in rechte onaantastbaar geworden. De rechtbank moet daarom van de rechtmatigheid van het besluit uitgaan.
Omdat uit moet worden gegaan van de rechtmatigheid van het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Spanje op grond van de AMbV verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.