Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:1786

Op 3 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.33496, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:1786. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.33496
Datum uitspraak:
3 February 2026
Datum publicatie:
3 February 2026

Indicatie

herhaalde asielaanvraag, minister heeft geloofwaardig geacht huiselijk geweld ten onrechte niet als apart asielmotief geduid, dit is niet in overeenstemming met Verdrag van Istanbul, gebrek is met art. 6:22 Awb gepasseerd, geconstateerd gebrek niet van invloed op de afwijzing asielaanvraag, eiseres niet benadeeld, huiselijk geweld is beoordeeld, vrees bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt, verweerder hoefde op grond daarvan geen redenen hoeven zien om over te gaan tot verlening asielvergunning, wel pkv

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.33496

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres,

van Nigeriaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer 1]

mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] , V-nummer [nummer 1] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] , V-nummer [nummer 2] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] , V-nummer [nummer 3] ,

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.A.M. Frieser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1).

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag met toepassing van artikel 6:22 van de Awb (Voetnoot 2) in stand kan blijven. De minister heeft het huiselijk geweld ten onrechte niet als apart asielmotief geduid. Dit is niet in overeenstemming met het Verdrag van Istanbul (Voetnoot 3). Dit gebrek leidt echter niet tot een vernietiging van het besluit, omdat de minister het huiselijk geweld wel heeft beoordeeld. De minister heeft het huiselijk geweld geloofwaardig gevonden en zich verder op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde vrees bij terugkeer niet aannemelijk is en dat er geen redenen zijn om een asielvergunning te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiseres heeft, voor zover in deze procedure relevant, al eerder een asielaanvraag ingediend. De eerste aanvraag dateert van 5 augustus 2019. Deze aanvraag is bij besluit van 25 oktober 2019 niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk was. Dit besluit is in rechte komen vast te staan. Eiseres is echter niet tijdig overgedragen aan Italië, waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de beoordeling van die asielaanvraag.

2.1.

Vervolgens is bij besluit van 9 september 2022 de eerste asielaanvraag van eiseres, en van [naam] en [naam] , afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. In dat besluit is het eerste asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres, geloofwaardig geacht. Het tweede en derde asielmotief, de door eiseres gestelde moord op haar stiefmoeder respectievelijk de lening en de daaruit voortvloeiende problemen, zijn niet geloofwaardig geacht. De minister heeft verder geen aanleiding gezien om eiseres aan te merken als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en geen aanknopingspunten gezien voor een reëel risico op ernstig schade bij terugkeer naar Nigeria.

Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

2.2.

Bij besluit van 16 mei 2023 is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Ook dit besluit staat in rechte vast.

3. Eiseres heeft op 23 januari 2024, mede namens [naam] en [naam] , een herhaalde asielaanvraag, en voor [naam] een eerste asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van haar herhaalde aanvraag heeft eiseres 3 documenten overgelegd: een iMMo rapport van 15 september 2023 (iMMO rapport), een brief van een psycholoog van 22 november 2023 en een opsporingsbericht van 5 juli 2017.

3.1.

De minister heeft een Gehoor opvolgende aanvraag afgenomen. Het daarop volgend voornemen van 6 oktober 2024 en het besluit van 18 oktober 2024, waarbij de aanvraag was afgewezen als kennelijk ongegrond, zijn door de minister op 5 december 2024 ingetrokken.

3.2.

De minister heeft op 19 juni 2025 een nieuw voornemen vastgesteld. Eiseres heeft op 25 juni 2025 een zienswijze ingediend.

3.3.

In het bestreden besluit heeft de minister, onder verwijzing naar het voornemen, van 19 juni 2025 de volgende asielmotieven onderscheiden:

De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;

Het incident met haar stiefmoeder;

De gestelde lening en de daaruit voortvloeiende problemen met de mensensmokkelaar.

3.3.1.

De minister blijft bij het al in rechte vaststaand geloofwaardig gevonden asielmotief 1. Ten aanzien van het tweede asielmotief acht de minister, gelet op de littekens bij eiseres, het huiselijk geweld geloofwaardig. De minister houdt verder vast aan het eerdere en al in rechte vaststaand oordeel dat de moord op de stiefmoeder van eiseres ongeloofwaardig is. Hoewel de minister het iMMO rapport nieuw en relevant acht, kan op basis daarvan niet worden aangenomen dat de in de eerste procedure door eiseres afgelegde verklaringen niet compleet, coherent en consistent zouden zijn geweest. De door eiseres overgelegde politieverklaring van 5 juli 2017 acht de minister nieuw, maar niet relevant. Bureau documenten heeft het document onderzocht en op basis daarvan een neutraal advies gegeven: er kan geen uitspraak worden gedaan over de echtheid, inhoud en opmaak- en afgifte van het document. Verder acht de minister in dit verband van belang dat eiseres geen deugdelijke verklaring kan geven waarom het document pas een jaar na de datum van het incident is opgesteld: eiseres zou al op 4 april 2016 worden gezocht, terwijl het document van 5 juli 2017 is. Verder vindt de minister de verklaringen van eiseres hoe zij via haar oom aan het document is gekomen, onvoldoende concreet en onvoldoende aannemelijk. Daarbij heeft de minister met de verklaring van de psycholoog van 22 november 2023, dat eiseres last heeft van stemmingsstoornis en PTSS, rekening gehouden. De minister vindt het opmerkelijk dat eiseres pas na de eerdere asielprocedure geprobeerd heeft contact te krijgen met haar oom om documenten te verkrijgen en heeft aangegeven geen enkel idee te hebben wat de ontwikkelingen zijn in haar zaak, terwijl ze aangeeft wel contact te hebben met haar oom. De minister acht het niet aannemelijk dat zij geen navraag bij haar oom heeft gedaan over haar situatie. Ten aanzien van asielmotief 3 heeft de minister evenmin aanleiding gezien om niet meer uit te gaan van het eerdere in rechte vaststaande oordeel dat dit asielmotief ongeloofwaardig is.

3.4.

De minister ziet in wat geloofwaardig is geacht, geen aanleiding om eiseres aan te merken als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en ziet evenmin aanknopingspunten voor een reëel risico op ernstig schade bij terugkeer naar Nigeria. Ten aanzien van het huiselijk geweld stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Nigeria daarvoor nog steeds te vrezen heeft: eiseres is inmiddels volwassen, heeft haar eigen gezin gevormd en hoeft niet terug te keren naar het gezin van haar stiefmoeder. De minister wijst de herhaalde aanvraag van eiseres, van [naam] en [naam] , af als kennelijk ongegrond, wijst daarbij op het al in rechte vaststaande terugkeerbesluit en legt aan eiseres een inreisverbod van 2 jaar op. De minister heeft de aanvraag van [naam] afgewezen als ongegrond en heeft aan [naam] een terugkeerbesluit opgelegd met een onmiddellijke vertrekverplichting.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4.1.

De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, eiseres, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank overweegt eerst dat in de beroepsgronden wordt gewezen op een ander besluit van 16 juli 2025, waarin de aanvraag van de echtgenoot, [naam] , niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank stelt vast dat hiertegen geen beroep is ingediend en dat dit besluit geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige beroep.

5.1.

De rechtbank stelt verder vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft ingediend tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op [naam] en het jegens [naam] opgelegde terugkeerbesluit. Ook zijn geen beroepsgronden ingediend tegen het opgelegde inreisverbod van twee jaar.

6. Ten aanzien van de afgewezen herhaalde asielaanvraag stelt de rechtbank vast dat eiseres geen beroepsgronden naar voren heeft gebracht tegen het (weer) ongeloofwaardig geachte asielmotief 3.

6.1.

De beroepsgronden van eiseres hebben betrekking op het ongeloofwaardig gevonden tweede asielmotief: ‘Het incident met haar stiefmoeder’ en op het niet aannemelijk hebben geacht van de gestelde vrees bij terugkeer naar Nigeria. In dat verband oordeelt de rechtbank het volgende.

7. De rechtbank stelt eerst vast dat de minister het huiselijk geweld geloofwaardig heeft geacht, maar dit niet als apart asielmotief heeft onderscheiden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het Verdrag van Istanbul.

7.1.

In hoofdstuk 7 van het Verdrag van Istanbul, dat beoogt geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen en te bestrijden, zijn bepalingen neergelegd over migratie en asiel. Op grond van de artikelen 60 en 61 van het Verdrag dienen maatregelen genomen te worden die nodig zijn om te waarborgen dat: (gender)gerelateerd geweld kan worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en als een vorm van ernstig gevaar die aanleiding geeft voor aanvullende/extra bescherming; het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd in overeenstemming met bestaande verplichtingen uit hoofde van het internationale recht. De rechtbank wijst in dit verband ook op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2024 (ECLI:EU:C:2024:7; zaak C-621/21), waarin expliciet is overwogen dat het Verdrag van Istanbul bindend is voor de Unie en (gender)gerelateerd geweld tegen vrouwen erkent als een vorm van vervolging.

7.2.

Het relaas van eiseres dat betrekking heeft op huiselijk geweld, waarvan zij slachtoffer is geweest, dient, gelet op het voorgaande, door de minister als een apart asielmotief te worden geduid en beoordeeld. Het standpunt van de minister dat dit niet nodig is, omdat het geen direct verband houdt met het vertrek van eiseres uit Nigeria, deelt de rechtbank niet. De rechtbank is, in tegenstelling tot het standpunt van de minister, van oordeel dat dit huiselijk geweld wél in verband staat met het relaas van eiseres omtrent de (gestelde) moord op haar stiefmoeder en daarmee ook met haar vertrek uit Nigeria. Reeds om die reden kon de minister niet volstaan met het ongeduid laten van dit onderdeel van het relaas. Verder is de rechtbank van oordeel dat, ook los van enig verband met het vertrek, het huiselijk geweld -gelet op de aard en ernst daarvan- ertoe kan leiden dat op die grond alleen een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar het land van herkomst bestaat. Het huiselijk geweld dient daarom autonoom en gendergevoelig te worden beoordeeld, nu dit geweld op zichzelf reeds aanleiding kan geven tot verlening van een asielvergunning.

7.3.

Aan het besluit kleeft derhalve een gebrek. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb (Voetnoot 4) passeren en overweegt daarover verder het volgende.

8. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiseres haar gestelde vrees voor huiselijk geweld bij terugkeer naar Nigeria niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook de rechtbank acht daarvoor van betekenis dat eiseres inmiddels volwassen is, haar eigen gezin heeft gevormd en niet hoeft terug te keren naar het gezin van haar stiefmoeder. Voorts heeft eiseres dit standpunt niet concreet bestreden.

8.1.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de moord op de stiefmoeder nog steeds ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De minister is in zijn beoordeling uit mogen gaan van het eerdere en al in rechte vaststaande oordeel hierover. Eiseres heeft geen beroepsgronden naar voren gebracht die verband houden met het standpunt van de minister over het iMMO rapport. De beroepsgronden die verband houden met de politieverklaring slagen naar het oordeel van de rechtbank niet. Vast staat dat Bureau documenten een neutraal advies heeft gegeven en dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid, inhoud en opmaak- en afgifte van het document. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres geen deugdelijke verklaring heeft gegeven waarom het document pas een jaar na de datum van het incident is opgesteld en heeft de minister de verklaringen van eiseres hoe zij via haar oom aan het document is gekomen, onvoldoende concreet en onvoldoende aannemelijk mogen achten. De minister heeft het opmerkelijk mogen vinden dat eiseres pas na de eerdere asielprocedure geprobeerd heeft contact te krijgen met haar oom om documenten te verkrijgen en dat eiseres heeft aangegeven geen enkel idee te hebben wat de ontwikkelingen zijn in haar zaak, terwijl ze wel heeft aangegeven nog steeds contact met haar oom te hebben. Eiseres heeft op zitting dezelfde verklaringen overgelegd als in haar Opvolgend nader gehoor en op basis hiervan de rechtbank niet kunnen overtuigen dat het standpunt van de minister niet deugdelijk is.

8.2.

De minister heeft gelet op het voorgaande de asielaanvraag van eiseres mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Nu het geconstateerde gebrek niet van invloed is geweest op de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en eiseres door een instandlating van de afwijzing van haar asielaanvraag in die zin niet wordt benadeeld, zal de rechtbank het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand laten.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond en het bestreden besluit blijft met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand.

9.1.

Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000

Voetnoot 2

Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 3

Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld; wetten.nl - Regeling - Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld - BWBV0006074

Voetnoot 4

Algemene wet bestuursrecht.