Vreemdelingenrecht

beroep niet tijdig beslissen, niet ontvankelijk

Rechtbank Den Haag, 7 maart 2024

Zaakgegevens

Op 7 maart 2024 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
7 maart 2024
Datum publicatie
7 maart 2024
Zaaknummer
23.3909
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:3057
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet tijdig beslissen, niet ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.39090


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]

van Azerbeidjaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Procesverloop

Eiser heeft op 27 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Eiser heeft op 13 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris).

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) uitspraak zonder zitting.

2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing

van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit

met een besluit wordt gelijkgesteld.

3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat

een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend

zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn

verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser bij brief van 7 december 2023 aan de

staatssecretaris heeft meegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een beslissing te nemen op de

aanvraag van 27 augustus 2022. Op grond van artikel 4:17, derde lid van de Awb vangt de

termijn van twee weken als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid van de Awb aan één dag na

ontvangst van de ingebrekestelling, in de situatie van eiser op 8 december 2023. De

rechtbank stelt vast dat de beslistermijn daarom is verstreken op 23 december 2023. Eiser

heeft het beroepschrift ingediend op 13 december 2023. Het beroep voldoet daarom niet aan

de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in

artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

5. Het beroep is, gelet op het voorgaande, kennelijk niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.