Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Vereenvoudigde behandeling · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 19 maart 2024

Zaakgegevens

Op 19 maart 2024 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 maart 2024
Datum publicatie
19 maart 2024
Zaaknummer
NL23.32567
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:3737
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.32567


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Procesverloop

Eiser heeft op 1 juni 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel

voor bepaalde tijd ingediend.

Bij brief van 27 september 2023 heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het

niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Op 13 oktober 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Omdat geen van de partijen, nadat zij waren gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing

van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit

met een besluit wordt gelijkgesteld.

3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat

een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend

zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn

verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de

staatssecretaris binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.

5. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn,

als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een

groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer

moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.

6. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 21 juni 2022. Bij brief van 21 november 2022

heeft de staatssecretaris eiser bericht dat de beslistermijn op eisers aanvraag wordt verlengd

met negen maanden op grond van artikel 42, vierde lid van de Vw. De rechtbank stelt vast

dat de wettelijke beslistermijn om op de aanvraag van eiser te beslissen is verstreken. De

rechtbank stelt verder vast dat eiser de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld

en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.

7. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

8. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie ter zake

(ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) een rechterlijke dwangsom

opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b van de Awb

bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag

van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State het 8+8-wekenmodel passend geacht.

9. De rechtbank is van oordeel dat in gevallen waarin de zogenoemde bovengrens als

bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn van 21 maanden wordt

overschreden in beginsel een kortere termijn dan volgens het 8+8-wekenmodel in

aanmerking komt om een beslissing te nemen op de asielaanvraag. In dit geval is de termijn

van 21 maanden nog niet verstreken, maar zal deze binnen de 8+8 wekentermijn verstrijken.

Het blijft van belang dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen. De rechtbank

zal daarom tot uitgangspunt nemen dat de staatssecretaris in zo’n geval binnen zes weken op

de asielaanvraag dient te beslissen. Bijzondere omstandigheden kunnen voor de rechtbank

aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken door de staatssecretaris een andere

termijn te geven. In dit geval is niet gebleken van dergelijke omstandigheden. De rechtbank

acht het niet onmogelijk voor de staatssecretaris om op zorgvuldige wijze binnen zes weken

een besluit te nemen. Dit betekent dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van

bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.

10. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat

de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de

beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum

van € 7.500,-.

11. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het

indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor

0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van

deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen

voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum

van € 7.500,-;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra,

griffier en openbaar bekendgemaakt via rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is in het openbaar bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.