Vreemdelingenrecht

Beroep niet tijdig, asiel, gegrond. Samenhangende zaken.

Rechtbank Den Haag, 6 mei 2025

Zaakgegevens

Op 6 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 mei 2025
Datum publicatie
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.13291 en NL25.13294
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:7670
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep niet tijdig, asiel, gegrond. Samenhangende zaken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.13291 en NL25.13294


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , V-nummer: [nummer] ,

[naam] , V-nummer: [nummer] ,

gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),

Mede namens de minderjarigen:

[naam] , geboren op 22 februari 2009,

[naam] , geboren op 7 december 2010,

[naam] , geboren op 20 februari 2016,

[naam] , geboren op 17 september 2020,

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de afzonderlijke asielaanvragen van 20 oktober 2023.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?

2. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. De minister heeft deze termijn met negen maanden verlengd.De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.

3. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

Welke dwangsom legt de rechtbank op?

5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.

6. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 brengt een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb in dit geval met zich dat de minister één dwangsom verbeurt voor eisers gezamenlijk.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd.

8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken. De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;

  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;

  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van J. Yedema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw. Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1624. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5. als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.