Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Vereenvoudigde behandeling · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 27 mei 2026

Zaakgegevens

Op 27 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
27 mei 2026
Datum publicatie
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.15720
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:13764
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT asiel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15720


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat hij een dwangsom van € 100,- moest betalen voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

1.1.

Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 14 december 2023.

1.2.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.

3. In de uitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van acht weken. Deze termijn verliep op 17 april 2026.
Het tweede beroep is 20 maart 2026 ingediend zodat het beroep niet tijdig beslissen prematuur is ingediend.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

- De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

NL26.5007 Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.