Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Vereenvoudigde behandeling · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21979 · Rechtbank Den Haag · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/vereenvoudigde-behandeling/ecli-nl-rbdha-2026-21979
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.58587
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Vereenvoudigde behandelingVereenvoudigde behandelingDe bestuursrechter beslist zonder zitting, omdat de uitkomst duidelijk is. Wie het er niet mee eens is, kan in verzet gaan.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21979
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58587 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam], opposant,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2026 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning),
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van
8 januari 2026 terecht is geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel kon worden afgedaan. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Op 12 september 2022 heeft opposant een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek. Op 20 april 2023 is deze aanvraag afgewezen en op 2 mei 2024 is het bezwaar van opposant ongegrond verklaard. Opposant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing.
5. Op 27 juni 2023 heeft opposant wederom een aanvraag uitstel van vertrek gedaan. Op 31 januari 2024 is deze aanvraag afgewezen en op 2 mei 2024 is het bezwaar van opposant ongegrond verklaard. Opposant heeft ook tegen deze afwijzing beroep ingesteld.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft de beide beroepen gevoegd op zitting behandeld en bij uitspraak van 9 juli 2024 gegrond verklaard. De minister is opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op de beide aanvragen te nemen.
7. Op 24 november 2025 heeft opposant een beroep niet tijdig ingediend wegens het niet tijdig beslissen. Dit beroep is gegrond verklaard op 5 januari 2026. De rechtbank heeft de minister een beslistermijn van vier weken opgelegd.
8. Op 28 november heeft opposant een tweede beroep niet tijdig ingediend wegens het niet tijdig beslissen. Dit beroep is op 8 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat er 5 januari 2026 reeds uitspraak was gedaan en er geen procesbelang meer bestond bij dit beroep. Tegen deze uitspraak is het verzet van opposant gericht.
Beoordeling verzet
9. De verzetsmogelijkheid strekt er uitsluitend toe te beoordelen of de bestuursrechter terecht tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan. De verzetsrechter beoordeelt dus niet opnieuw de zaak in volle omgang, maar uitsluitend of redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de afdoening van de zaak.
10. Opposant heeft niet aangevoerd dat de rechtbank de zaak ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgedaan. Opposant betoogt dat de zaak kennelijk kon worden afgedaan maar dat het beroep kennelijk gegrond verklaard had moeten worden in plaats van kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzet richt zich tegen het dictum van de uitspraak.
11. Aldus ziet het verzet niet op de toepassing van artikel 8:54 van de Awb, maar op een volgens opposant onjuist dictum. Een dergelijke grief valt buiten de omvang van de verzetprocedure. Indien sprake is van een kennelijke fout in het dictum, ligt herstel daarvan door middel van een hersteluitspraak in de rede.
12. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om een hersteluitspraak te doen. Immers, de minister heeft inmiddels uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2026 door een nieuw besluit op bezwaar te nemen (in beide aanvragen). Daarmee ontbreekt elk procesbelang bij herstel van het dictum van de uitspraak van
8 januari 2026 in het tweede beroep wegens niet tijdig beslissen. Een hersteluitspraak kan immers niet leiden tot een voor opposant relevant rechtsgevolg. In de aan een mogelijke ‘uitspraak gegrond’ gekoppelde dwangsom is geen procesbelang gelegen, nu de dwangsom een prikkel vormt voor de minister om (alsnog) te beslissen. Dat is al gebeurd, zodat die prikkel niet meer nodig is. De dwangsom is nadrukkelijk niet bedoeld als een extra compensatie voor opposant. Daarin kan dus geen procesbelang zijn gelegen. Bovendien was aan de uitspraak van 5 januari 2026 reeds een dwangsom gekoppeld.
Conclusie en gevolgen
13. Het verzet is ongegrond omdat de zaak terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb is afgedaan.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde
publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: