Vreemdelingenrecht
Beroep n-o, griffierecht niet betaald.
Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21980 · Rechtbank Den Haag · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/vereenvoudigde-behandeling/ecli-nl-rbdha-2026-21980
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.8493
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Vereenvoudigde behandelingVereenvoudigde behandelingDe bestuursrechter beslist zonder zitting, omdat de uitkomst duidelijk is. Wie het er niet mee eens is, kan in verzet gaan.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21980
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep n-o, griffierecht niet betaald.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8493
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Eiseres heeft op 22 september 2023 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
In eerdere beroepsprocedures niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen een nadere termijn alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. De minister heeft dit niet gedaan.
Eiseres heeft op 16 februari 2026 een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld.
De minister heeft op 17 februari 2026 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiseres.
Eiseres heeft niet gereageerd op een verzoek van de rechtbank om te laten weten of zij het eens is met het besluit van 17 februari 2026.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
4. Eiseres heeft aangegeven dat zij niet in staat is om griffierecht te betalen. Naar aanleiding daarvan heeft de griffier eiseres verzocht om gegevens over haar inkomen en haar vermogen over te leggen. Aan dit verzoek heeft eiseres niet (op tijd) voldaan. Daarom heeft de griffier het beroep op betalingsonmacht bij brief van 4 maart 2026 afgewezen.
5. Op 6 maart 2026 is de nota voor het griffierecht per aangetekende post aan eiseres toegezonden. De nota is echter onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht is de nota op 15 april 2026 per gewone postzending nogmaals aan eiseres toegezonden. Eiseres heeft het griffierecht echter niet binnen de gestelde termijn betaald.
6. Evenmin heeft eiseres een reden gegeven voor dit verzuim. Een verzoek om informatie is onbeantwoord gebleven. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde
publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.