Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Vereenvoudigde behandeling · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.14272
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21993
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

verzet gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14272 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van


de minister van Asiel en Migratie, opposant,

(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen)

en

[naam], geopposeerde

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. E. Stap),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2026

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2026, waarin de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 15 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel was, dat het opvolgende beroep kennelijk gegrond was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

2.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het opvolgende beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn was verstreken.

4. Opposant voert aan dat de rechtbank het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft afgedaan. Volgens opposant was geen sprake van een kennelijke uitkomst, omdat redelijkerwijs twijfel kon bestaan over de ontvankelijkheid van het beroep. Opposant stelt dat geopposeerde ten tijde van de uitspraak geen procesbelang meer had bij het beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat hij zijn asielaanvraag inmiddels had ingetrokken. De rechtbank had hiervan volgens opposant op de hoogte moeten zijn, nu de intrekkingsverklaring onderdeel uitmaakte van het procesdossier. Het beroep had daarom volgens opposant niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Opposant verzoekt de rechtbank het verzet gegrond te verklaren, de uitspraak te vernietigen en het beroep alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

5. De aangevoerde gronden slagen. De rechtbank stelt vast dat de vertrek- en intrekkingsverklaring ten tijde van de uitspraak van 15 mei 2026 deel uitmaakten van het procesdossier. Hieruit volgde dat eiser geen procesbelang meer had bij het beroep wegens niet tijdig beslissen. Het beroep had daarom kennelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Nu dit is miskend, kan de uitspraak van 15 mei 2026 niet in stand blijven. De rechtbank verklaart die uitspraak vervallen, hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak werd gedaan en doet uitspraak op het beroep.


Beoordeling beroep niet tijdig beslissen van 14 maart 2026

6. Opposant zal hierna worden aangeduid als de minister en geopposeerde als de eiser.

7. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op 24 mei 2025. Op 11 september 2025 heeft eiser een verklaring van vertrek ondertekend, evenals een intrekkingsverklaring voor zijn lopende asielaanvraag en Nederland vrijwillig verlaten. Met het ondertekenen van de vertrek- en intrekkingsverklaring heeft eiser te kennen gegeven geen prijs meer te stellen op een inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag. Daarmee is zijn procesbelang bij het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op die aanvraag komen te vervallen. Nu de vertrek- en intrekkingsverklaring deel uitmaakten van het procesdossier, had het beroep wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het verzet gegrond;

  • verklaart dat de uitspraak van 15 mei 2026 vervalt;

  • verklaart het beroep niet tijdig beslissen van 14 maart 2026 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van

A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend. Artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:54 van de Awb.