Vreemdelingenrecht
bewaring, volgberoep, Libische, zicht op uitzetting, voldoende voortvarend, geen lichter middel…
Rechtbank Den Haag, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31778 · Rechtbank Den Haag · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/vereenvoudigde-behandeling/ecli-nl-rbdha-2026-31778
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.63615
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Vereenvoudigde behandelingVereenvoudigde behandelingDe bestuursrechter beslist zonder zitting, omdat de uitkomst duidelijk is. Wie het er niet mee eens is, kan in verzet gaan.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31778
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bewaring, volgberoep, Libische, zicht op uitzetting, voldoende voortvarend, geen lichter middel, refoulementbeoordeling, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63615
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 2 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 28 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 21 oktober 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 26 oktober 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op de zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 oktober 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 september 2026.
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
5. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting is, omdat er door de Libische autoriteiten vrijwel geen lp’s worden afgegeven en er ook nagenoeg geen uitzettingen naar Libië worden geëffectueerd. Daarnaast voert eiser aan dat niet is onderzocht of sprake is van een veilige terugkeer voor eiser.
Beoordeling rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Libië, zowel in het algemeen, als in het geval van eiser, niet ontbreekt. Door eiser zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het lp-traject, in het geval hij volledige medewerking verleent, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Zo is er sinds 28 september 2026 twee keer bij de Libische autoriteiten schriftelijk gerappelleerd op de lp-aanvraag. Daarnaast is op 2 oktober 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
Wat betreft hetgeen eiser aanvoert in het kader van non-refoulement, stelt de rechtbank vast dat de bewaringsmaatregel al eerder is getoetst en nu alleen het voortduren van de bewaring ter toetsing voorligt. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 13 juli 2026 en in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat zij (ook ambtshalve), onder verwijzing naar het arrest Adrar, geen grond ziet voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Daarmee is de non-refoulement beoordeling door de rechtbank elke keer gemaakt. Eiser heeft in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt dat nu wel sprake is van een refoulementrisico. De enkele beroepsgrond dat de minister niet heeft onderzocht of sprake is van een veilige terugkeer, maakt dat niet anders.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.