Vreemdelingenrecht

Pkv verzoek, opvolgend BNT

Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026

Zaakgegevens

Op 17 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
17 maart 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.38587
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:5676
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Pkv verzoek, opvolgend BNT

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38587


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , verzoekster,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),


mede namens haar minderjarige kind:

[naam],
V-nummer: [nummer],

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om de minister te

veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Verzoekster heeft een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op

haar aanvraag. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoekster heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.

3. De rechtbank stelt vast dat de minister na het indienen van het opvolgende beroep

tegen het niet tijdig beslissen alsnog een besluit heeft genomen. Daarmee is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen. De minister dient daarom de proceskosten van verzoekster te betalen. De minister heeft zich daartoe ook schriftelijk bereid verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoekster gemaakte

proceskosten vergoeden.

5. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van de proceskostenvergoeding in opvolgende beroepen niet tijdig beslissen vast op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. Omdat verzoekster was vrijgesteld van het griffierecht hoeft de minister dat niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Zie r.o. 6.2, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.