Vreemdelingenrecht
Twee beroepschriften ingediend, n-o verklaard, want prematuur. Verzet gegrond, want ontvankelijk en gegrond beroep.
Rechtbank Den Haag, 27 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21055 · Rechtbank Den Haag · 27 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/verzet/ecli-nl-rbdha-2026-21055
Zaakgegevens
Op 27 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 27 juli 2026
- Datum publicatie
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.16184
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21055
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Twee beroepschriften ingediend, n-o verklaard, want prematuur. Verzet gegrond, want ontvankelijk en gegrond beroep.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16184
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam]
, opposant,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: A.P.E.M. Pover),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2026 in het geding tussen
opposant
en
de Minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het verzet wordt in deze uitspraak gegrond verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 4 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant richtte zich tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 27 mei 2025. Opposant heeft de minister op 23 februari 2026 in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Vervolgens heeft opposant beroep ingesteld.
De uitspraak van 4 mei 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep prematuur was ingediend.
Gronden verzet
6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om het beroep van opposant niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens opposant heeft verweerder op 24 februari 2026 laten weten dat de ingebrekestelling van opposant op 23 februari 2026 heeft ontvangen. Indien binnen veertien dagen geen besluit wordt genomen, kan eiser beroep instellen. Deze termijn verliep op 9 maart 2026. Het beroep van opposant zou zijn ingediend op 3 maart 2026 en daarmee prematuur. Dit is echter onjuist, aldus opposant. Het beroep is ingediend op 23 maart 2026. Het beroep dient daarom ontvankelijk en gegrond te worden verklaard.
Overweging rechtbank over de verzetsgronden
7. De rechtbank stelt voorop, zoals in rechtsoverweging 2 uiteengezet, dat verzet ziet op de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de door opposant aangevoerde gronden met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring twijfel doen ontstaan over de vraag of de uitkomst van de procedure, zoals ie nu in verzet wordt bestreden, buiten redelijke twijfel stond. De ingebrekestelling van opposant is op 23 februari 2026 door de minister ontvangen. De daaropvolgende termijn van veertien dagen eindigde op 9 maart 2026. Opposant heeft vervolgens op 3 maart 026 en 23 maart 2026 beroep ingesteld. Uitgaande van het laatst ingediende beroep, is er sprake van een tijdig en ontvankelijk beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
9. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beroep ten onrechte geen rekening gehouden met het door opposant op 23 maart 2026 ingediende beroepschrift. Dit beroepschrift was ingediend vóór de uitspraak van 4 mei 2026 en maakte daarmee deel uit van het dossier dat bij de beoordeling van het beroep betrokken had moeten worden. Indien de rechtbank dit laatst ingediende beroepschrift bij haar beoordeling had betrokken, had zij moeten vaststellen dat sprake was van een tijdig en ontvankelijk beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
10. De rechtbank stelt vast dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in de uitspraak van 4 mei 2026. Het verzet is daarom gegrond. Dit betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Conclusie en gevolgen
11. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 4 mei 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
12. De minister moet de door de opposant gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het verzet gegrond;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: