Vreemdelingenrecht
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en…
Rechtbank Den Haag, 3 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31554 · Rechtbank Den Haag · 3 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/verzet/ecli-nl-rbdha-2026-31554
Zaakgegevens
Op 3 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 3 september 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.4815-V en NL26.4815
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31554
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie (de minister) op de aanvraag van opposante tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is het niet nodig geacht om partijen uit te nodigen voor een zitting. Opposant heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak. Besluitmoratorium verkeerd toegepast, verzet gegrond. Beroep gegrond
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4815-V en NL26.4815
uitspraak op het verzet van
[opposante/eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , opposante/ eiseres. (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman).
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde/de minister.
Procesverloop
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie (de minister) op de aanvraag van opposante tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.1 Daarbij is het niet nodig geacht om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Opposant heeft op 10 april 2026 verzet ingesteld tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft bij bericht van 13 augustus 2026 aangegeven dat volgens haar een nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zij heeft partijen in de gelegenheid gesteld op een zitting te worden gehoord en heeft gewezen op haar bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.3 Partijen hebben hierop niet gereageerd binnen de daarvoor gestelde termijn van één week.
De rechtbank doet andermaal uitspraak zonder zitting.
Beoordeling van het verzet
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of zij met de uitspraak van 3 april 2026 terecht heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak toe als het verzet gegrond is.
[afbeelding niet beschikbaar]1. Zaaknummer NL26.4815.
2 Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant van 13 januari 2026 vóór het verstrijken van de beslistermijn is ingediend. Dit omdat volgens de rechtbank met de toepassing van het besluitmoratorium de beslistermijn was verlengd tot en met 20 januari 2026.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet tegen de uitspraak van 3 april 2026 gegrond is. Vervolgens oordeelt zij dat ook het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Toen deze zittingsplaats van de rechtbank op 3 april 2026 uitspraak deed op het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag, hanteerde zij nog een andere interpretatie van het woord “verlengen” zoals dat gebruikt is in artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000 (zoals dat gold tot 12 juni 2026), artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië en artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn (zoals die gold tot 12 juni 2026). Inmiddels heeft deze zittingsplaats van de rechtbank deze interpretatie verlaten. Het woord “verlengen” wordt thans uitgelegd als “uitstellen”.4 Deze wijziging van interpretatie leidt ertoe dat deze zittingsplaats van de rechtbank thans van oordeel is dat de beslistermijn van de aanvraag is uitgesteld voor de duur van de werking van het besluitmoratorium.
5. Opposante heeft haar aanvraag ingediend op 20 juli 2024. Het besluitmoratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. De beslistermijn eindigde daardoor op
20 juli 2025.
6. Opposante heeft de minister op 13 januari 2026 in gebreke gesteld. Dat was dus tijdig. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 3 april 2026, inhoudende dat de ingebrekestelling prematuur was, is dus onjuist. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was. Zij heeft het beroep dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.
7. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 3 april 2026 vervalt en
dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voor die uitspraak werd gedaan.
Beoordeling van het beroep
8. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak op het beroep. Opposante wordt verder aangeduid als “eiseres”.
[afbeelding niet beschikbaar]Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?
9. In rechtsoverweging 6. heeft de rechtbank al geoordeeld dat eiser de ingebrekestelling van 13 januari 2026 tijdig heeft ingediend. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
10. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5 In deze zaak is dit aan de orde.
11. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.6
12. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.7 De rechtbank weegt verder mee dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden in dit geval is overschreden. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
13. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is
€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.8 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van deze aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
14. De rechtbank veroordeelt de minister in de gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat een professionele (juridische) hulpverlener is ingeschakeld om een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt
5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.
8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
€ 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor van 1).
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij in de beroepsprocedure heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
-
verklaart het verzet gegrond;
-
verklaart de uitspraak van 3 april 2026 vervallen;
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt de minister op om uiterlijk binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
-
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
-
veroordeelt de minister tot betaling van de door eiseres gemaakte proceskosten van in totaal
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 september 2026
Documentcode:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.