Vreemdelingenrecht

Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en…

Rechtbank Den Haag, 3 september 2026

Zaakgegevens

Op 3 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
3 september 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.15316-V en NL26.15316
Procedure
Verzet
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31553
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie (de minister) op de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Bij uitspraak van 1 mei 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is het niet nodig geacht om partijen uit te nodigen voor een zitting. Opposant heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak. Verzoek tot aanhouding afgewezen, geen aanleiding om afdelingsuitspraak af te wachten. Besluitmoratorium verkeerd toegepast. Verzet gegrond, beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15316-V en NL26.15316

uitspraak op het verzet van

[opposant] , V-nummer: [V-nummer] , opposant. (gemachtigde: mr. S. Oukil).

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie (de minister) op de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Bij uitspraak van 1 mei 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.1 Daarbij is het niet nodig geacht om partijen uit te nodigen voor een zitting.2

Opposant heeft op 12 juni 2026 verzet ingesteld tegen deze uitspraak.

De rechtbank heeft bij bericht van 13 augustus 2026 aangegeven dat volgens haar een nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zij heeft partijen in de gelegenheid gesteld op een zitting te worden gehoord en heeft gewezen op haar bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.3 Partijen hebben niet aangegeven een zitting te wensen.

De rechtbank doet andermaal uitspraak zonder zitting.

Beoordeling van het verzet

1. De minister heeft in reactie op het bericht van de rechtbank van 13 augustus 2026 verzocht het verzet aan te houden, totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak heeft gedaan in een zaak, waarin dezelfde rechtsvraag aan de orde is als in het onderhavige verzet. De rechtbank wijst dat verzoek af. Het is niet duidelijk binnen welke termijn de Afdeling uitspraak zal doen. Bovendien verdraagt een aanhouding

[afbeelding niet beschikbaar]

1. Zaaknummer NL26.15316.

2 Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.

van het verzet zich niet met de aard van een beroep niet tijdig beslissen.

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of zij met de uitspraak van 1 mei 2026 terecht heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant van 3 maart 2026 vóór het verstrijken van de beslistermijn is ingediend. Dit omdat volgens de rechtbank met de toepassing van het besluitmoratorium de beslistermijn was verlengd tot en met 24 april 2026.

4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet tegen de uitspraak van 1 mei 2026 gegrond is. Vervolgens oordeelt zij dat ook het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5. Toen deze zittingsplaats van de rechtbank op 1 mei 2026 uitspraak deed op het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag, hanteerde zij nog een andere interpretatie van het woord “verlengen” zoals dat gebruikt is in artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000 (zoals dat gold tot 12 juni 2026), artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië en artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn (zoals die gold tot 12 juni 2026). Inmiddels heeft deze zittingsplaats van de rechtbank deze interpretatie verlaten. Het woord “verlengen” wordt thans uitgelegd als “uitstellen”.4 Deze wijziging van interpretatie leidt ertoe dat deze zittingsplaats van de rechtbank thans van oordeel is dat de beslistermijn van de aanvraag is uitgesteld voor de duur van de werking van het besluitmoratorium.

6. Opposant heeft zijn aanvraag ingediend op 24 oktober 2024. Het besluitmoratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. De beslistermijn eindigde daardoor op 24 oktober 2025.

7. Opposant heeft de minister op 3 maart 2026 in gebreke gesteld. Dat was dus tijdig. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 1 mei 2026, inhoudende dat de ingebrekestelling prematuur was, is dus onjuist. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was. Zij heeft het beroep dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.

8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 1 mei 2026 vervalt en

dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voor die uitspraak werd gedaan.

[afbeelding niet beschikbaar]

4 ECLI:NL:RBDHA:2026:21819.

Beoordeling van het beroep

9. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak op het beroep. Opposant wordt verder aangeduid als “eiser”.

Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?

10. In rechtsoverweging 7. heeft de rechtbank al geoordeeld dat eiser de ingebrekestelling van 3 maart 2026 tijdig heeft ingediend. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

11. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5

12. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.6

13. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.7 De rechtbank weegt verder mee dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden in dit geval is overschreden. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

14. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is

€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.8 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van deze aanbeveling af te wijken.

[afbeelding niet beschikbaar]

5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.

6 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.

7 ECLI:NL:RVS:2020:1560.

8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.

Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.

16. De rechtbank veroordeelt de minister in de gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat een professionele (juridische) hulpverlener is ingeschakeld om een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt

€ 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor van 1).

17. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij in de beroepsprocedure heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

  • verklaart het verzet gegrond;

  • verklaart de uitspraak van 1 mei 2026 vervallen;

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt de minister op om uiterlijk binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;

  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.

  • veroordeelt de minister tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten van in totaal

€ 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr.

M.H.G.P. Tober, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 september 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet.

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.