Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening. Tijdelijke bescherming. Verweerder verzet zich niet. Verzoek toegewezen.

Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL 26 55333
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31658
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening. Tijdelijke bescherming. Verweerder verzet zich niet. Verzoek toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.55333


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

In het besluit van 14 september 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoekster niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG.

Verzoekster heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Van de indiener van een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter wordt griffierecht geheven. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld. Eerder heeft de voorzieningenrechter dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat verzoekster naar voren heeft gebracht over haar inkomen, en gelet op het door haar ondertekende formulier, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit verzoek definitief toe te wijzen. Van verzoekster zal dan ook geen griffierecht worden geheven.

2. Verzoekster stelt te zijn geboren op [datum] 1984 en de Oekraïense nationaliteit te hebben. Zij heeft zich bij verweerder gemeld voor het verkrijgen van tijdelijke bescherming omdat zij ontheemd is geraakt door de oorlog in Oekraïne.

3. In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van tijdelijke bescherming voldoet, omdat zij al in Polen tijdelijke bescherming heeft gekregen.

4. Hiertegen voert verzoekster in haar bezwaarschrift aan dat zij na een verblijf in Polen van drie maanden naar Oekraïne is teruggekeerd, en dat zij vervolgens vóór het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 waarop verweerder zich beroept in Nederland is aangemeld. Ook voert verzoekster aan dat haar minderjarige zoon in Nederland wel tijdelijke bescherming heeft gekregen, en beroept zij zich op het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing heeft verzoekster diverse documenten over haar verblijf en haar werkzaamheden in Oekraïne overgelegd. In het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening voert verzoekster aan dat de gemeente Vlissingen heeft aangekondigd haar opvangvoorzieningen te beëindigen, en dat zij niet langer verzekerd is voor ziektekosten terwijl zij medicatie nodig heeft tegen migraine.

5. In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld zich niet tegen het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening te verzetten omdat op voorhand aan het bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen ontzegd kan worden.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemzaak niet.

7. Nu verzoekster haar opvangvoorzieningen dreigt te verliezen, is de vereiste onverwijlde spoed gegeven.

8. Aangezien verweerder zich niet verzet, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening op de hierna te melden wijze als kennelijk gegrond toe te wijzen.

9. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

 schorst het primaire besluit van 14 september 2026 en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op haar bezwaarschrift is beslist;

 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.